Het kettinkje van Esther

05031942_jodenster_1942_nederland_wikimedia_commons_museon_museum_den_haag_ccb.jpg()(A56FA4EF6C5CDE4C0456035E6EEF07C1)Het aangrijpende verhaal van een Joods meisje uit Leiden 

“Het is me wat”, zegt grootvader. “Het is me wat”. Frits kijkt op van zijn ijsje en zucht van opluchting. Eindelijk doet opa zijn mond open. Uren heeft hij niets gezegd. De hele rit in de trein zat hij maar stil voor zich uit te kijken. Ze zitten op een terras, midden in Berlijn. De koffie van opa is koud geworden. Frits likt uit een enorm glas ijs met vruchten. Om hen heen is het rumoerig. Toeristen en winkelende Berlijners staan in een grote kring om een stel jongens die met hun skateboards allerlei toeren uithalen. Midden op het plein staat een grote moderne toren vlak naast de ruïne van een oude kerk. Plotseling beginnen de klokken in de half afgebrokkelde ruïnetoren te luiden. Het gebeier overstemt het lawaai van het verkeer. Het is alsof je wordt opgenomen in een zee van klokkengelui. “Dat zijn de klokken van de Herinneringskerk”, zegt grootvader. “Iedere dag luiden ze voor alle mensen die in de Tweede Wereldoorlog zijn omgekomen, miljoenen. Het is me wat”. Hij kijkt voor zich uit en schudt zijn hoofd.

182765

Kamp Auschwitz

Samen hebben ze een concentratiekamp bezocht. Het was er druk. Bij de ingang stonden rijen bussen. Groepen schoolkinderen liepen lawaaierig door de poort. Oude mensen met stokken en rollators keken elkaar aan. “Hier is het gebeurd. Hier zijn zoveel mensen omgebracht”, zei er één. Frits en zijn opa waren langs de barakken gewandeld. In één daarvan kon je naar binnen. Er stonden lange rijen houten stapelbedden, niet meer dan bakken, dicht tegen elkaar. Op grote foto’s kon je zien hoe daar mensen sliepen. Hun hoofden kaal geschoren, hun gezichten mager en angst in hun ogen. Ze droegen 8215765180559259gestreepte gevangenispakken. Op andere foto’s zag je de gevangenen buiten staan in de sneeuw. Duitse soldaten met honden liepen er langs. Frits probeerde zich voor te stellen hoe verschrikkelijk dat was geweest. Er waren ruimten met koffers, schoenen, kleren en manden vol haar van de mensen die waren omgebracht. Een oude vrouw liep huilend naar buiten. Ze had de gaskamers gezien waar duizenden en duizenden mensen waren gedood en de ovens waarin hun lichamen werden verbrand. De foto’s daarvan waren te erg om naar te kijken. Toch kon Frits zijn ogen er niet van af houden. Die enorme afbeelding van een kuil vol uitgemergelde lijken. Grootvader trok hem mee. Ze nonpixellatedliepen langs een wand met allemaal foto’s van mensen die in het kamp hadden gezeten. Oude mensen, kinderen, mannen, vrouwen, er kwam geen einde aan. Plotseling stond grootvader stil. Bevend strekte hij zijn hand uit. Hij wees naar een foto. “Esther”, stamelde hij. Frits zag een meisje met grote donkere ogen, haar zwarte krullen waren afgeknipt. “Esther”, zei grootvader weer. Zijn vingers streelden langs de foto. Tranen rolden over zijn wangen. Frits wist zich geen houding te geven. Hij had opa nog nooit zien huilen, zelfs niet toen oma werd begraven.

De trein naar Nederland is een prachtige sneltrein. Frits en zijn opa zitten tegen over elkaar in grote leren stoelen. De trein dendert het oude station uit. Door de ramen schieten lange rijen huizen voorbij, paleizen, kerken en dan weer kale stukken land met puin van afgebroken huizen en fabrieken. “Ik ben blij dat ik je alles heb kunnen laten zien”, zegt grootvader. “Maar nu wil ik weer graag naar huis, naar Leiden”. Ze kijken elkaar aan. “Wie was Esther?”, zegt Frits plotseling. Grootvader zucht. Hij kijkt naar buiten. Dan begint hij zijn verhaal. Het is als een waterval van woorden. Frits heeft zijn grootvader nog nooit zo lang achter elkaar horen praten. Af en toe stopt de trein. Een meisje komt koffie en broodjes brengen. Grootvader vertelt door, aan één stuk.

018 b LEI_pv085777 Valkenburg

Valkenburg na het bombardement

‘Het begon in mei 1940. Ik was twaalf jaar, net zo oud als jij nu bent. Toen we ’s morgens naar school gingen stonden hier en daar groepjes mensen met elkaar te praten maar we letten daar niet zo op. In de klas begonnen we gewoon met de les. Toen kwam de bovenmeester binnen. Dat deed hij alleen als er iets belangrijks te vertellen was. “Kinderen”, begon hij. “Er is iets ernstigs aan de hand. We zijn in oorlog met Duitsland. Boven vliegveld Valkenburg zijn parachutisten geland, bij de Afsluitdijk wordt gevochten”. We keken elkaar aan. Sjaantje de dochter van de melkboer begon te huilen. Die was altijd overal bang voor. Mijn vrienden en ik vonden het allemaal wel spannend. Toen de bovenmeester was uitgesproken, ging onze meester door met de rekenles. Na schooltijd holde ik naar huis. Aan tafel werd nergens anders meer over gepraat dan over de oorlog. De volgende dagen druppelden de berichten binnen. Het was Pinksteren. Zoals ieder jaar werd de tuin achter het huis in orde gebracht. Moeder zette vuurrode geraniums in de perken. De ramen werden gelapt. De gele steentjes van het straatje achter de stal werden geschrobd. Er waren toen nog een stuk of vier stadsboerderijen. Die van ons stond op de Lage Rijndijk. Er was ook nog een boerderij aan de Haven vlakbij de Zijlpoort. Op Tweede Pinksterdag kwam door de radio het bericht dat de koningin en de hele regering naar Londen waren gevlucht. Vader sloeg met zijn vuist op tafel: “Ze laten ons in de steek”. Maar daar wilde moeder niets van weten. Ze was gek op de koningin en op prinses Juliana. “Dat is vast en zeker een wijs besluit”, zei ze beslist. Plotseling kwam Devilee van de kaaswinkel aan de overkant met een rood hoofd de kamer binnen stormen: “Rotterdam wordt gebombardeerd!”, riep hij. “De hele stad staat in brand. Die moffen maken alles kapot”.’

Bombardement-rotterdam-anp-1_1

Bombardement van Rotterdam

Grootvader kijkt door de ramen van de trein naar de voorbij schietende heidevelden.

“Toen was alles snel voorbij”, gaat hij verder. “Nederland gaf zich over. De eerste tijd veranderde er niet zoveel. Het werk op de boerderij ging gewoon door. Het was hooitijd en iedereen was nodig. Ons weiland lag langs de Zijl. Het hooi moest helemaal van daar over de Spanjaardsbrug de stad in worden gereden. Vader liep te mopperen. Hij miste de Duitse knecht. Iedere zomer kwam Heinrich, de maaier uit Duitsland, om te helpen bij het hooien. Ze mochten hem allemaal graag op de boerderij. Heinrich was een vrolijke kerel en sterk als een beer. Hij kon het hooi hoog opsteken door de bovendeuren van de hooizolder. Op mooie zaterdagavonden na een week hard werken, pakte vader zijn trekzak en Heinrich de bugel, een soort trompet. Dan schalde de muziek vrolijk over het erf. De buren kwamen erbij zitten op de bank voor het huis. Avonden om nooit te vergeten. Maar door de oorlog was Heinrich niet gekomen. Gelukkig hielp buurman Devilee. Hoe druk hij het ook had met zijn eigen werk, de kaasboer had altijd tijd over voor anderen.  Na een paar maanden werd plotseling de burgemeester van Leiden weggestuurd. Er kwam een nieuwe. “Een vriend van de Duitsers mopperden de mensen”. Maar de postbode die in de Nipponstraat woonde, was erg in zijn sas. Als hij de

images (1)

NSB-er in uniform

brieven en pakjes had rondgebracht deed hij zijn uniform van de PTT uit en trok zijn NSB pak aan. Trots als een pauw liep hij door de buurt. De meeste mensen groetten hem niet meer. Zijn kinderen werden gepest op school en verloren al hun vriendjes. Dat kon hem niets schelen. “Wacht maar”, zei hij tegen iedereen die het horen wilde. “Onze tijd is gekomen, alles wordt anders”. Op een zondag liep hij met een groep NSB’ ers in hun zwarte uniformen achter een Duits muziekkorps over de Lage Rijndijk. De joodse handelaar die aan de overkant naast de kaaswinkel een textielzaakje had, loerde angstig door de etalageruit.

Steeds vaker kwam buurman Devilee op bezoek. Hij zat met vader uren in de voorkamer. Dat vond ik vreemd want de voorkamer werd alleen maar gebruikt als er belangrijk bezoek kwam. Ik keek door de kier tussen de schuifdeuren en zag vader en Devilee opgewonden zitten praten. Er lagen krantjes op tafel en een landkaart. 018 d Voedselbonnen-01Ik ving iets op over bonkaarten maar werd weggejaagd door moeder die zenuwachtig heen en weer liep. Plotseling werd er op de deur geklopt. Iedereen keek verbaasd. Buren klopten nooit op de deur. De meid keek door het zijraampje. “Een Duitse soldaat”, zei ze verschrikt. “Er staat een mof voor de deur”. Moeder zakte lijkbleek op haar stoel en sloeg een kruisje. “Heremijntijd”, zei ze. “Daar zal je het hebben”. De deur zwaaide open. “Guten Abend”, klonk het vriendelijk. Iedereen kwam stom verbaasd overeind. “Heinrich, hoe kom jij hier?!” Het was Heinrich, de maaier die ieder jaar kwam helpen. “Ga zitten, wil je Kaffee”, stotterde moeder. Heinrich legde zijn soldatenjas over de stoel en zette zijn pet af. Ineens was hij weer de gezellige boerenknecht van vroeger. Hij vertelde dat hij in Valkenburg zat als chauffeur van een Duitse officier. Hij maakte zich zorgen over zijn familie in Duitsland. In zijn dorp was het nog rustig. Maar vlakbij in Hamburg waren telkens bombardementen. Familieleden waren gevlucht en logeerden nu bij zijn vrouw in hun kleine boerderijtje. “Gelukkig kunnen ze mijn vrouw helpen met onze twee koeien en de buren bij het oogsten want alle mannen van het dorp zijn naar het front”. Hij zuchtte diep. “Die rotoorlog maakt alles kaput”. Hij bleef niet lang. Ik liep mee naar buiten en keek vol bewondering naar de auto waarmee Heinrich was gekomen. Toeterend reed hij de Lage Rijndijk af. De mensen gluurden door de gordijntjes. “Binnen de kortste keren wist iedereen dat er een mof bij ons op bezoek was geweest”,  zucht grootvader. “Op school wilde geen kind meer met me spelen”.

De trein rijdt een grote stad binnen en stopt bij het station. “Hannover”, leest Frits.

Max_und_Moritz

Max & Moritz

Grootvader knikt. “Hier in de buurt is Wilhelm Busch geboren”, vertelt hij. “Die heeft de verhaaltjes bedacht en getekend van Max en Moritz. Onze Duitse knecht bracht ieder jaar een boekje voor me mee.  Prachtig vond ik dat. Die vreemde Duitse letters kon ik niet lezen. Maar dat hoefde ook niet. De plaatjes vertelden het verhaal. De ene ondeugende streek na de andere. Op een keer vielen ze in een trog deeg. De bakker schoof ze in de oven en maakte van hen grote broodpoppen. Geweldig”. Grootvader lacht. De trein rijdt alweer.

kw

Karik

“De berichten op de radio werden steeds grimmiger”, gaat grootvader verder. “De oorlog werd heftiger. De vriendelijkheid van de Duitse soldaten verdween. Duitse legers trokken over de eindeloze vlakten van Rusland wist Devilee die iedere avond stiekem naar Radio Oranje luisterde.  Er kwamen berichten over de joden. Bij bioscopen en restaurants werden bordjes opgehangen met: “Verboden voor joden”. Alle joden moesten een gele ster dragen. Op een dag werd het gezin van de textielhandelaar aan de overkant uit huis gehaald. Ze mochten alleen een koffertje met wat kleren meenemen. De postbode stond erbij in zijn NSB-uniform. De buren loerden

018 j LEI001009125 karikatuur

Karikatuur van een Duitse soldaat

door de gordijnen en zagen hoe de man en zijn vrouw en kinderen op een vrachtwagen werden geduwd die snel de straat uitreed. In de winter zaten vader en Devilee steeds vaker bij elkaar. Er kwamen vreemde bezoekers. Moeder zette koffie en liep zenuwachtig rond. Op een keer zag ik tranen over haar wangen lopen. “Als dat maar goed gaat”, zei ze steeds. Het werd voorjaar. De koeien werden langs de Lage Rijndijk naar de weilanden aan de Zijl gebracht. Ze dansten door de wei alsof het geen oorlog was.

Toen kwam Esther. Ineens was ze er. Devilee had haar meegenomen. Ze kwam uit Amsterdam. Haar hele familie was ’s morgens weggehaald. Esther was niet thuis. Ze logeerde op dat moment bij haar grootmoeder in Leiderdorp. Ze kon niet terug naar huis. “We moeten haar hier verstoppen”, zei vader. “Anders wordt ze net als haar familie naar Duitsland gebracht en dan loopt het slecht met haar af”. Moeder wist zich geen raad. Ze had te doen met het jonge meisje maar trilde van de zenuwen. “Wat als de Duitsers er achter zouden komen? Als ze zouden worden verraden?”

Esther was net zo oud als ik. Ze was mager en zag bleek maar had grote schitterende ogen en donkere krullen. Ze moest in mijn bed slapen maar dat vond ik niet erg. Voor mij werd een bed gezet in het huisje waar vroeger Heinrich de maaier sliep. Uit de bibliotheek op school nam ik iedere week boeken mee. “Ben je ineens een lezer geworden?”,  vroeg de meester verbaasd. Ik knikte en voelde mij ongemakkelijk. Esther las de boeken in één of twee dagen uit en vroeg dan om nieuwe. Ze keek me daarbij lachend aan. Ik kreeg het er warm van en durfde geen nee te zeggen. Samen deden we spelletjes aan tafel of verstoppertje in de stal. Soms zat Esther stil bij het raam voor zich uit te kijken. Op school wilde niemand meer met me spelen. “Moffenvriendje”, riepen de jongens uit de klas. Toen ik jarig was, werd er niet voor mij gezongen. “Straks”, zei de meester. Maar het kwam er niet van. In de pauze kwam Jaap, de zoon van de postbode, bij me staan. “Gefeliciteerd”, zei hij. “Wil je mijn salamanders zien?”. Ik knikte en samen liepen we naar het schuurtje op het kleine plaatsje achter zijn huis in de Bloemstraat. Jaap had grote potten met water waarin salamanders met oranje buikjes rondzwommen. In een grote  apothekersfles dreef een klont kikkerdril. Je kon de staartjes van de donderkopjes al zien bewegen. Jaap had ook een aquarium met een gebarsten ruit. Hij had er aarde in gedaan. De grond was bedekt met plantjes. “Kijk” zei hij. Onder een tak kwam een pad tevoorschijn. Ik keek mijn ogen uit. Hij pakte een schepnetje en duwde een jampotje in mijn handen. We gingen het weiland in achter het Kooipark om watervlooien te vangen. Jaap was daar handig in. Met een zwaai haalde hij de kleine  rode diertjes uit de sloot en deed ze in het glazen potje. Steeds vaker ging ik met Jaap op pad. Ik had nu een vriendje en een vriendinnetje. Een eenzaam zoontje van een NSB’er en een even eenzaam joods meisje dat niet wist waar haar ouders waren. Het moeilijkste was dat ik de één niet over de ander kon vertellen.

Esther kreeg steeds meer kleur op haar wangen. Soms lachte ze schaterend. Ze hielp graag op de boerderij. Het liefst was Esther bij de dieren. Ze kon er niet genoeg van krijgen. De koeien, de twee paarden, de geiten, de katten en de konijnen. Ze leerde melken. Eerst waren de koeien onwennig. Ze trapten de melkemmer om. Maar al snel bleven ze doodstil staan en hoorde je alleen het geluid van de melk die met regelmatige straaltjes in de emmer spoot. Ik was graag bij Esther. Het gaf me een vreemd warm gevoel dat ik daarvoor niet kende. Ik luisterde naar haar verhalen. Ze vertelde over thuis. Haar vader, haar moeder en haar twee oudere broers. Met een schittering in haar ogen, vertelde ze over de joodse feesten. Het loofhuttenfeest waarbij haar vader en haar broers met takken en bladeren een hutje maakten op het plaatsje achter het huis, chanoeka met de kandelaar voor het raam en de geur van heerlijk eten die uit de keuken 6067007kwam. Plotseling kon ze dan zwijgen en stil voor zich uit kijken. Tranen rolden over haar wangen. Ik wist me geen raad. Op een keer vroeg ik naar het sieraad dat ze altijd om haar hals droeg. Een zilveren davidsster aan een kettinkje. “Die heb ik van mijn moeder gekregen toen ik tien jaar werd. Zij had hem van mijn grootmoeder en die weer van haar moeder”. Ze deed het kettinkje af en duwde het in mijn handen. “Hier, wil je die voor mij bewaren tot de oorlog voorbij is?”.  Ik knikte en kreeg een kleur. Voorzichtig stopte ik het kettinkje in mijn broekzak. Ik heb het sindsdien altijd bij me gedragen”.

Het is stil in de trein. De zon staat laag. De bomen en de huizen die voorbij schieten, hebben lange schaduwen. Vuurrood spiegelt de zon in de ramen van de huizen en het water van de rivieren als de trein ratelend over een spoorbrug rijdt.

Grootvader glimlacht: “De mooiste herinnering heb ik aan die avond dat het hooi werd binnengehaald. Het was al avond maar nog volop licht want het was juni. De zon ging maar een paar uur onder. Het laatste hooi werd opgehaald. De wagen schommelde onder de hoge berg hooi. Zodra de wagen de stal was binnengereden gingen de deuren dicht en dan kwam Esther tevoorschijn om te helpen. Ze had een geruite doek om haar hoofd zodat je haar zwarte krullen niet kon zien. Vader stond boven op de wagen en stak het hooi met grote plukken tegelijk omhoog. Moeder, Esther en ik verdeelden het hooi over de zolder. Toen de wagen leeg was, ging moeder koffie zetten. Vader ging voor het paard zorgen. Esther liep voorzichtig naar de ladder bij het luik. Voor ik het wist, had ik mijn arm om haar heen gelegd. “Dan kun je niet naar beneden vallen”, zei ik. Ze lachte om mijn vuurrode hoofd.

De volgende dag was het zondag. Het was loom, warm weer. Esther en ik zaten te vissen in de Rijn achter de keuken waar de buren ons niet konden zien. Achter ons ging de deur van de stal open.  Opeens stond Heinrich voor mij.  Hij was op de fiets en droeg geen pet. Hij hijgde en keek schichtig om zich heen. Esther schoot naar binnen. Moeder kwam verschrikt tevoorschijn. “Schnell”, zei Heinrich. “De postbode heeft jullie verraden. Hij heeft gezegd dat er een joods meisje bij jullie woont. Verberg haar voor het te laat is”. Hij sprong op zijn fiets en reed weg zo hard als hij kon. “Schnell”, riep hij nog.  Moeder liep zenuwachtig heen en weer. “Wat moeten we doen?”, zei ze. “Wat moeten we nou toch doen?”. Vader zat doodstil. Hij zag krijtwit.  “Die rotoorlog, die rotmoffen”, mompelde hij. “Gauw, ga Devilee halen”, zei hij tegen mij. Devilee kwam direct. Hij fluisterde lange tijd met vader. “Morgenavond haal ik haar op”, hoorde ik hem zeggen toen hij weg ging. Vader deed alle deuren op slot en schoof zelfs de grote grendel voor de staldeuren. Dat deed hij anders nooit. Ik kon die nacht niet slapen. Bij ieder geluid ging ik rechtop zitten’.

Grootvader kijkt star voor zich uit. “We zijn al in Nederland denk ik”. Hij zwijgt lang. Dan zucht hij en zegt: “Toen gebeurde het”

razzia_large-200x200“Het was nog voor melkestijd. Plotseling was er een geweldig lawaai. Ik vloog overeind en zag een grote legerwagen op de inrit voor de staldeuren. Soldaten sprongen eruit. “Schnell, schnell”, werd er geroepen. In de voorkamer ging een ruit aan scherven. Moeder gilde. Vader rende de kamer binnen. “Vlug, verberg je in het hooi”, riep hij tegen Esther. Ze holde weg. Van alle kanten stormden soldaten naar binnen. Ze grepen vader en moeder. Een soldaat pakte mij ruw bij de arm. Een grote herdershond liep wild blaffend om ons heen. We werden op het erf naast elkaar gezet tegen de muur. Twee soldaten hielden ons in bedwang. Het geweer in de aanslag. Uit een luxe auto stapte een officier. Hij liep heen en weer en bleef toen voor vader en moeder staan. “Waar is het judenmeisje?”, zei hij. Vader haalde zijn schouders op. “Er is hier geen judenmeisje”, zei moeder met trillende stem. Op straat kwam de postbode op zijn fiets aangereden. Hij had zijn NSB-uniform aan. Hij liep naar de officier en stak zijn arm schuin omhoog: “Heil Hitler”.  Hij grijnsde naar ons. De officier keek hem minachtend aan: “Er is hier geen judenmeisje”. De postbode keek onthutst om zich heen. “Ze moet hier ergens zijn”. De soldaten liepen met de hond de stal in. Daar begon het beest wild te blaffen. Even later kwamen de soldaten naar buiten met Esther tussen zich in. Ze sleurden haar naar de vrachtauto. Plotseling stond Devilee bij de auto. Hij duwde de soldaten opzij. “Blijf met je poten van dat meisje af”. Woedend gaf hij de soldaat die Esther stevig aan haar arm vasthield een stomp tegen zijn neus. Kalm haalde de officier zijn pistool te voorschijn. Hij schoot, twee, drie keer. Devilee viel met een smak achterover. Esther werd in de vrachtauto gegooid. Ze  keek naar ons. Ik zag haar gezicht, haar grote ogen. De auto reed weg. Het geronk verdween in de verte. Toen was het stil. Je hoorde alleen het loeien van de koeien die stonden te wachten tot ze gemolken werden. Vader en moeder holden naar Devilee en tilden hem het huis in. Even later kwam de dokter. Devilee had nog even bewogen met zijn handen. Hij probeerde iets te zeggen. Toen was hij dood. Vader liep zwijgend de stal in om te gaan melken. Ik voelde me helemaal leeg. Ik kon niet praten en niet huilen en liep naar de kleine stal waar het paard stond. Ik legde mijn hoofd tegen de warme buik van het paard en huilde en huilde.  Steeds zag ik die grote ogen van Esther. Wat zou er met haar gebeuren? Waar brachten ze haar naartoe? Uren later ging ik stil naar binnen. Moeder zette zwijgend een stapeltje boterhammen voor mij neer. De dode Devilee werd opgehaald door de begrafenisondernemer. De volgende dag moest ik weer naar school. Vader zat bij het ontbijt niet op zijn vertrouwde plekje aan de keukentafel. Even later kwam hij binnen. Hij zag krijtwit en liep naar het aanrecht om zijn handen te wassen. Hij zei niets. De jongens van mijn klas stonden opgewonden met elkaar te praten op het schoolplein. Ze keken naar mij met bewondering in hun ogen. De meester kwam naar mij toe. Hij legde zijn hand op mijn schouder en zei: “De postbode is dood. Ze hebben hem gevonden op de weg langs de Zijl vlak bij jullie land. Zijn fiets en de tas met post lagen naast hem”.

De trein rijdt het station van Utrecht binnen. Ze moeten overstappen. Grootvader belt naar huis om te zeggen hoe laat ze aankomen. De trein naar Leiden staat al klaar. Het is druk in de trein. Een paar bekenden komen langs. “Nog zo laat onderweg?”, zeggen ze tegen grootvader. Grootvader knikt en zwijgt. Pas als we voorbij Alphen zijn, zegt hij: “Nooit heb ik geweten wat er die morgen is gebeurd. Moeder vroeg er niet naar. Vader zweeg er over. Maar vanaf die dag was hij anders, veel stiller en ernstiger dan vroeger. Van Esther hoorden we niets meer. Na de oorlog  hebben we na lang zoeken en vragen eindelijk ontdekt dat ze naar het kamp is gevoerd dat ik je heb laten zien. De trein remt af. Mensen staan op en pakken hun jas. Grootvader blijft zitten. Als de mensen om ons heen weg zijn, steekt hij zijn hand in zijn zak en haalt het kettinkje te voorschijn. Het zilveren sterretje glinstert in zijn grote ruwe hand. Hij geeft het aan mij. “Hier, ik ben al oud, nu moet jij het kettinkje van Esther bewaren”.

018 g Intocht Canadezen jpeg

Canadezen op de Rijnsburgerweg in Leiden. (foto Herman Kleibrink) 

 

(Hoofdstuk uit mijn boek: ‘Mijn stad LEIDEN’ , uitgeverij Karakter)

 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s