Ramp met het kruitschip

rmp kruitschip  Op 12 januari 1807 om kwart over vier in de middag werd Leiden getroffen door een ramp. 

(Hoofdstuk uit mijn boek Mijn Stad LEIDEN, uitgeverij Karakter)

Betje en de Ramp met het kruitschip 

RP-P-1905-657

Het Rapenburg voor de ramp 

 Het hele huis is in rep en roer. Betje is met Aal de keukenmeid naar de markt geweest om verse vis te kopen. Een jager heeft twee gestroopte hazen gebracht. Ze pruttelen in een grote pan boven het vuur in de keuken. De geur van vlees verspreidt zich door het huis. Er komen gasten. De deftige broer van meneer uit Haarlem met zijn vrouw en twee dochtertjes. “Ze zullen hun dienstmeid wel weer meenemen”, bromt Aal. “Die moet dan weer bij mij in mijn kamertje op zolder slapen en het is er al zo klein”. Betje knikt. Zij slaapt in de bedstee in de keuken. Daar is het lekker warm. Boven in het huis waar Aal slaapt is het venijnig koud. De wind blaast door de kieren onder het raam. Af en toe is het water in de lampetkan bevroren. Dan komt Aal mopperend naar beneden en haalt een natte lap over haar gezicht met water uit de keukenpomp. Het grondwater is

014 i 11967551 - kopie

Het

modderig en smaakt naar ijzer. Betje vult een koperen emmer met water. Ze heeft het koper nog eens extra opgepoetst. Mevrouw wil niet dat ze met ongepoetst koper de straat op gaat. “We wonen hier niet in de Bouwelouwensteeg maar op het Rapenburg”, zegt ze altijd. Betje hangt de glazenspuit over haar schouder en tilt de emmer naar buiten. Ze is pas twaalf jaar maar heeft sterke armen van het sjouwen en schrobben. Buiten zet ze de spuit in de volle emmer en duwt de stang met de houten kruk stevig omlaag. Het water klettert tegen de ramen. “Meid, het is veel te koud om de glazen te wassen”, zegt de dienstbode van een paar huizen verder. “Straks bevriest het water op de straat”. Betje haalt haar schouders op. “Mevrouw wil het nu eenmaal”. In de gracht is een werkman

014 b baggerman Jan Overduin. detail F.A. Milatz RAL - kopie - kopie

Baggerman Overduin aan het werk vlak voor de ramp 

bezig met baggeren. Telkens trekt hij aan een lange stok een soort zak over de bodem en gooit de modder in zijn schuit. De bagger stinkt. Vlak voor het huis ligt een grote vrachtschuit afgemeerd. Mevrouw heeft zich bij het ontbijt vreselijk opgewonden: “Uitgerekend als ik belangrijke gasten heb, ligt daar die schuit voor de deur en staat die kerel te baggeren. Het is geen gezicht”. De koetsier wordt erop uitgestuurd. De baggeraar krijgt een fooi en belooft een eind verderop te gaan baggeren. De schipper van de vrachtschuit is nergens te bekennen. Betje is klaar met de ramen. Ze gooit de emmer leeg in het Rapenburg en gaat naar binnen. In de hal is meneer bezig met de staande klok. Niemand anders dan hij mag er aan komen. Meneer hijst met een 014 f staand horloge ca 1740 met speelwerkslinger de gewichten omhoog. Hij draait aan een wijzertje en dan slaat niet alleen de klok ieder uur, maar klinkt er ook een melodietje. Het speelwerk wordt alleen aangezet als er bezoek is. Betje vindt het prachtig. Ze kijkt met open mond naar de klok en luistert naar de tinkelende belletjes. Meneer draait zich om. “Vind je het mooi Betje?  Dat is een menuet, een dansje geschreven door Mozart toen hij in Den Haag op bezoek was bij de stadhouder. Hij was toen jonger dan jij nu bent. Knap hè”. Meneer beweegt zijn armen op de maat van de muziek en maakt een klein dansje op de marmeren tegels. Betje krijgt een kleur en loopt haastig met haar emmer de gang in. “Aal !”, zegt ze opgetogen in de keuken. “Meneer danst op de muziek, zo…”. Betje draait met haar armen, maakt kleine pasjes en buigt diep. “Bonjour madame Aal”. Ze heeft die Franse woorden opgepikt als ze de deur opendoet voor bezoek. Meneer en mevrouw praten vaak Frans, dat is deftig. “Bonjour, comment allez-vous? , goedendag hoe maakt u het? ”. Aal giert van het lachen. Dan verstart haar gezicht. Betje draait zich verschrikt om. Achter haar staat mevrouw. Ze geeft Betje een stevige draai om haar oren: “Brutale meid, een beetje dansen en nota bene Frans spreken in de keuken. Wie denk je wel dat je bent snotneus”.  Betje krimpt ineen. Haar wang gloeit. Haastig zet ze de emmer en de glazenspuit in de kast achterin de keuken. Ze hoort mevrouw op hoge toon tegen Aal praten. Is de haas goed gaar? Hoe staat het met de groenten?  Lukt het met de pastei? Aal knikt. Zenuwachtig loopt mevrouw de gang in. De voordeur gaat open. Het is vier uur. Jongeheer François komt thuis. Hij is twee jaar ouder dan Betje en gaat naar de Latijnse School op het Gerecht. Betje heeft een grote hekel aan de jongen. François is enig kind en wordt door zijn moeder vreselijk verwend. Altijd plaagt hij Betje. Zodra hij haar ziet, zingt hij jengelend: “Betje van veren, kan niet leren, rombombom wat is zij dom”. Betje schaamt zich dood. Ze is maar een paar jaar naar school geweest toen ze nog bij haar moeder thuis woonde. Naar het arme kinderschooltje aan de Prinsensteeg met een klas vol joelende kinderen in een oude kerk waar het altijd koud was. Ze heeft de letters van het alfabet geleerd en kan woorden schrijven met de ganzenveer. Ze moest soms van haar moeder een stukje lezen in de bijbel. Het enige boek dat in huis was. Moeder zat dan trots te luisteren als Betje stamelde en met haar vinger langs de moeilijke woorden streek: “Gelijk het gras is ons kortstondig leven”. Als ze thee moet brengen naar de kamer van meneer kijkt ze altijd vol ontzag naar de rijen boeken in de kast. Meneer leest halfluid in een vreemde taal in zijn boeken. Zijn ganzenveer vliegt over het papier als hij schrijft. Betje is vol bewondering voor haar knappe meneer. Aan mevrouw heeft ze een hekel. Die moppert altijd en is tegen iedereen bits en kortaf behalve tegen François, haar lieveling.

RP-P-AO-10-78-1

Het Rapenburg vlak vóór de ramp met het kruischip

Betje kijkt likkebaardend rond in de keuken. De tafel staat vol salades, pasteien, wild, vis en heerlijke taarten. Het water loopt haar in de mond. Er is zo veel. Boven kunnen ze het vast niet allemaal op en dan wordt het feest in de keuken. Dan gaan Aal en Betje samen de restjes oppeuzelen. “Wat sta je nou te dromen ?”, zegt Aal. “Hier, haal eens een kan melk uit de kelder. Steek een kaars aan want het is aardedonker daar beneden en neem een tondeldoos mee voor het geval de kaars uitwaait.” Betje pakt een grote blauwe melkkan. Ze steekt de kaars aan, stopt de tondeldoos in haar schort en gaat naar het kelderluik. Ze zet de kan op de grond en tilt met moeite het zware luik op. Voorzichtig loopt ze de stenen trap af. Beneden is het pikdonker. Bij het licht van de kaars ziet ze vaag de emmer melk. Goed oppassen nu. Niet morsen met de melk. Voorzichtig tilt ze de volle emmer op en giet melk in de kan.

014 e det A. Schelfhout RAL tek - kopie

Dan klinkt er een oorverdovende klap. Betje wordt tegen de grond gesmeten. Haar oren suizen. Boven haar hoofd klinkt gegil, een enorm lawaai, krakend hout en vallend puin. Dan is het angstaanjagend stil. “Help!”, gilt Betje. “Wat gebeurt er?!”. Ze haalt de tondeldoos uit haar schort en strijkt op gevoel met het vuursteentje langs de ruwe kant. Met een stukje brandende tondel steekt ze de kaars weer aan. Het is doodstil boven haar hoofd. Haar oren suizen. Ze holt naar de trap. Het luik is dichtgevallen. Ze duwt en duwt. Geen beweging in te krijgen. Betjes hart bonst in haar keel. “Help!”, roept ze zo hard ze kan. “Help!”. Ze bonst tegen het luik. Er gebeurt niets. Het blijft doodstil. Huilend loopt Betje de trap af en gaat in de hoek van de kelder zitten naast de brandende kaars. Er is iets vreselijks gebeurd, maar wat? De uren glijden voorbij. Betje heeft geen idee hoe laat het is. Altijd hoort ze in huis de klok van de Saaihal slaan en daarna de staande klok in de hal, maar nu blijft het ijzig stil. Betje krijgt het koud. Ze zoekt in de lage kasten achterin waar de koetsier zijn gereedschap bewaart. Er liggen een paar paardendekens. Betje legt er één op de grond en slaat de andere om zich heen. Ze drinkt wat melk uit de kan en pakt uit een kistje een grote winterpeen die daar wordt bewaard om hutspot te maken. Meneer is daar gek op, mevrouw vindt het ordinair voedsel. Betje knabbelt op de peen. Hij is hard en zanderig. Dan valt ze in slaap 1763leiden1807van vermoeidheid en ellende. Als Betje wakker wordt, weet ze niet hoe lang ze heeft geslapen. De kaars is uit. Het is koud en donker. “De wereld is vergaan”. Betje weet het zeker. Lang geleden toen ze op een zondagmorgen met haar moeder naar de Marekerk ging, hield de dominee een preek over het einde der dagen. Hij stond in zijn zwarte toga hoog op de preekstoel en zwaaide met zijn armen. Zijn stem galmde door de kerk. “Het einde van de wereld is nabij. Dan gaan de goede mensen naar de hemel en de kwade naar de hel”. Betje huivert. Nu is het zover. De wereld is vergaan en zij is vergeten. Niemand weet dat zij hier zit. In de hoek van de kelder klinkt geritsel. Muizen, misschien wel een rat. “Ga je weg”, sist ze en bonkt op de vloer. Betje rilt van angst. Ze weet zich geen raad. Dan begint ze te zingen, zo luid als ze maar kan. Een liedje dat Aal altijd zingt als mevrouw niet thuis is:

014 c - kopie

De puinhopen na de ontploffing. Links koning Lodewijk Napoleon 

“Kolijn, een brave boerenzoon

Het puikje van de dorpelingen

Arbeidzaam, welgemaakt en schoon —“

Ze blijft steken bij het laatste woord. Boven haar hoofd klinken stemmen. “Stil”, roept een man. “Ik hoor iets, daar zingt iemand onder het puin”.

Betje vliegt overeind. Ze bonkt op het luik. “Help!”, schreeuwt zij. “Ik ben hier, in de kelder”.

014 k Betje in de kelder. Tek. Wiebke

Betje wordt gevonden (tekening Wiebke) 

“Ga weg van het luik”, roept de man. “We halen je eruit”. Er klinkt geschraap van ijzer op hout. “Ze komen eraan” , rilt Betje. “De wereld is niet vergaan”. Het lijkt of het uren duurt voordat het luik knarsend een eindje open gaat. Stenen rollen van de trap en dan is er licht. Betje knijpt haar ogen dicht. Een jonge man komt de trap af. Hij tilt Betje op. Boven strekken vijf, zes paar handen zich naar haar uit. Ze tillen haar op en zetten haar neer in het puin. Betje knippert met haar ogen tegen het felle licht. Dan kijkt ze om zich heen. “Weg, alles is weg”. Het huis, de klok in de hal, de mooie kamers, de keuken. “Waar is meneer?”, vraagt ze.”Waar is Aal, mevrouw, en de jongeheer François?”. Een man kijkt haar vol medelijden aan. “Alle mensen van dit huis zijn dood. Gevonden onder het puin. Het is een wonder dat jij nog leeft. Heb je familie in de stad?” Betje knikt. “Mijn moeder woont aan de Langegracht”. “Kun je lopen?”, zegt de man. “Ga maar gauw naar huis. Je moeder zal wel ongerust zijn”. Betje slaat het stof van haar kleren en loopt in de richting van de Breestraat. Verdwaasd kijkt ze om zich heen. Overal ligt puin. Mannen, vrouwen, jongens en meisjes, iedereen is aan het graven. Er klinkt een gil. Onder het puin is een kind gevonden, dood. Een vrouw huilt en roept alsmaar de naam van het kind. “Aafje, mijn lieve Aafje, ach mijn Aafje”. Betje kijkt naar het dode meisje. Het kind heeft een pop onder haar arm geklemd. Op de Breestraat lopen werklui te sjouwen met glas. Overal zijn de ramen stuk. Naarmate Betje verder loopt, is de ravage minder. Hier en daar een kapotte ruit, wat pannen van de daken. Dan is Betje bij het kleine huisje van haar moeder. Ze bonkt op de deur. Moeder stuift naar buiten. “Betje, je leeft nog”. Ze huilt en lacht tegelijk. “Iedereen dacht dat je dood was. Het huis van je meneer en mevrouw stond precies tegenover het kruitschip”. Dan vertelt moeder wat er is gebeurd. Een schipper had zijn schuit vol buskruit aan het Rapenburg gemeerd  hoewel dat streng verboden is. Toen kwam er vuur bij het kruit gekomen en is het schip met een geweldige klap ontploft. Er zijn heel veel doden en gewonden. Hoeveel weet moeder nog niet precies. Dezelfde avond nog is koning Lodewijk gekomen. Hij heeft beloofd om de stad te helpen. Iedereen die onder het puin een levende vond kreeg een beloning. Terwijl moeder praat en praat, loopt ze heen en weer. Ze zet brood en kaas op tafel en een kan melk. Betje schrokt het eten naar binnen en dan legt moeder haar in de bedstee. Betje denkt nog even aan haar redding. Een wonder, zei de man die haar uit de kelder haalde. Wat zou zijn naam zijn? Dan valt ze in een diepe slaap.

 

 

 

 

 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s