Napoleon in Leiden

napoleonbonaparte Toen Napoleon in 1811 in Nederland was bracht hij ook een bezoek aan Leiden 

De liefde komt, de liefde gaat

Napoleon Den Bosch

Napoleon in 1811 (Noordbrabants Museum Den Bosch)

De Maire van Leiden had al dagen van te voren de Leidse burgerij opgeroepen om de huizen en de straten te versieren. “Een ieder vercierde om stryd de Voorgevels zyner Huizen met Guirlandes, Eerebogen en zinnebeeldige Opschriften”, jubelde de Leydsche Courant. Zelfs in de “agterstraten” deed men zijn best om de keizer een passend onthaal te bieden. Het Hoogheemraadschap liet een ereboog oprichten. Pastoor Ocke, de aartsdeken van Rijnland, spande de kroon. Hij liet voor zijn huis een groen-wit tempeltje bouwen met een door een arend gekroonde wereldbol en een grote N. Zijn gevel was bedekt met Latijnse spreuken die Napoleon de hemel in prezen.

De ‘maire’van Leiden hoopte op een stevige bijdrage van Napoleon voor de arme stad. In 1795 was Leiden één van de eerste steden waar de bevolking uitbundig danste om de voor het stadhuis opgerichte vrijheidsboom. De universiteit was een bolwerk van de “kezen” (Patriotten) De paar oranjegezinde professoren hadden geen leven. De liefde voor de Fransen werd snel minder toen de ‘bevrijders’ een hoge tol eisten voor hun diensten. Zodra Napoleon aan de macht was, zag hij het in zijn ogen rijke Holland vooral als melkkoe en leverancier van soldaten.

Opperste verwarring

Op donderdag 24 oktober werd dat allemaal even vergeten. De grote keizer zou de stad met een bezoek vereren. Het was een mooie herfstdag met een zacht koeltje uit het zuiden en een temperatuur die opliep tot 12 graden Celcius. De klokken luidden, de beiaardier hamerde zijn vuisten blauw op het carillon en de bevolking liep massaal uit. Een selectie professoren, rechters en geestelijken stond nerveus klaar in het academie gebouw.

041

De sleutels van de stad op een kussen met een geborduurde N (Museum De Lakenhal Leiden)

De maire en het stadsbestuur hadden zich met de sleutels van de stad opgesteld bij de Rijnsburgerpoort want de keizer en zijn vrouw Marie-Louise zouden vanaf Haarlem over Hillegom reizen. Om half één naderde een stoet van ruiters en rijtuigen. Rosières, dat waren arme meisjes die op staatskosten werden uitgehuwelijkt aan soldaten die terug keerden van het front, strooiden bloemen. Tot ontsteltenis van het stadsbestuur was de keizer niet bij het gezelschap. Marie-Louise werd begeleid naar het Rapenburg waar zij werd ontvangen door veertien meisjes uit de voornaamste

041 Rijnsburgerpoort

Het stadsbestuur wachtte Napoleon op bij de Rijnsburger Poort

families van de stad. Twee van hen boden bloemen aan. Zij kregen als dank van de keizerin een horloge aan een halssnoer met het keizerlijk monogram, “welk geschenk veel kostbaarder werd door de Hand die het gaf, dan door den Rijkdom waar mede het verciert was”, schreef de krant. Even later klonk de kreet dat de keizer was gearriveerd bij de Witte Poort. De burgemeester en zijn raadsleden haastten zich door de menigte naar de het Noordeinde, waar zij de keizer nog net konden onderscheppen om hem de sleutels van de stad aan te bieden.

041 003

Napoleon kwam Leiden binnen door de Witte Poort

Picnic in Katwijk

Napoleon was vanaf Hillegom niet verder gereisd met zijn vrouw. Hij had een omweg genomen langs Katwijk omdat hij de nieuwe sluizen en de stoommachine bij Katwijk wilde zien. Zijn broer Lodewijk was een paar jaar daarvoor bij de oplevering geweest. Het was een eeuwenoude wens van het Hoogheemraadschap Rijnland om de afwatering te verbeteren. De arm van de Rijn liep min of meer dood in het duinzand, met als gevolg dat in natte perioden heel Rijnland zuchtte onder het probleem van een slechte afwatering.

RP-T-00-1764 Het leggen van de eerste steen voor de grote sluis te Katwijk, 7 augustus 1805, Franciscus Andreas Milatz, 1805

Het leggen van de eerste steen voor de bouw van de sluizen in Katwijk in augustus 1905

Met de sluizen was dat probleem opgelost en wel zo zeer, dat het water in de polders achter de duinen werd weggezogen en de grond daar droog viel. Het waterschap besloot ondanks de handelsblokkade een stoommachine te bestellen in Engeland om daarmee water op te kunnen pompen in tijden van droogte.  Lodewijk Napoleon kneep een oogje dicht. De machine kwam naar Katwijk, maar functioneerde niet zoals verwacht. Het kostbare apparaat is maar één keer onder stoom geweest. Napoleon bewonderde het enorme werk dat in Katwijk tot stand was gebracht. Tot zijn ergernis zag hij vlak voor de kust een Engels oorlogsschip kruisen. Op het strand vroeg hij zijn begeleiders of men zich binnen schootsafstand bevond. Toen het antwoord bevestigend was besloot hij uitdagend dat de lunch op het strand zou worden gebruikt. Er werd inderhaast een tafel aangesleept en gedekt. De Engelsen hesen de vlag en loerden door hun kijkers naar het wonderlijke gezelschap op het strand, onbewust van het feit dat zij met één welgemikt schot de loop van de wereldgeschiedenis ingrijpend hadden kunnen veranderen. De keizer zat daar in het zonnetje met zijn aide-de-camp Dirk van Hogendorp op wie Napoleon zo gesteld was dat hij hem naast zijn hoge salaris ook nog had vereerd met een landgoed in Duitsland. De twee overige tafelgenoten waren Louis Alexandre Berthier, en generaal Caulaincourt, de hertog van Vicense.

Paniek onder professoren

Na de lunch op het strand begaf het keizerlijk gezelschap zich in draf naar Leiden. Op het Rapenburg was het een drukte van belang. De ontvangst vond plaats in het huis van burgemeester Marcus die het mooiste huis van de stad bewoonde, pal tegenover de universiteit. In het academiegebouw hadden zich al uren eerder leden van de rechtbank, kerkelijke vertegenwoordigers en hoogleraren verzameld. Rector magnificus Sebald

041

Rector Magnificus Sebald Justinus Brugmans  

Brugmans begreep al snel dat Napoleon zoals gebruikelijk het programma in de war schopte en niet van plan was het Rapenburg over te steken. Brugmans holde naar het academie gebouw onder de kreet: “Dépechez-vous” (haast u) De verwarring was groot. Dominee Jan van Geuns beschreef beeldend de paniek die ontstond:

“De academische senaat rende de trap af, stak de brug over en trok op die wijze het huis van den Heer Marcus binnen. Daarna volgde met de zelfde haast, de Rechtbank en vervolgens de Geestelijkheid. Het was maar steeds: Messieurs! Dépechez-vous ! Intusschen moesten wij door een dichten drom van allerlei menschen, nationale gardes, garde d’honneurs, cavalerie, rijknechts, treinpaarden en vrij smerige diligence koetsen ons een weg banen totdat wij dan

005

De professoren stonden te wachten in het Academiegebouw 

eindelijk, niet zonder gevaar, in de woning van den Heer Marcus te land kwamen. Hier werden we al dadelijk, door enige in rood scharlaken met goud gegalonneerde heeren bij den arm gepakt en onder een: Etes-vous Ministre? – Oui, – allons donc, entrez, in de linker zijkamer binnengedreven”. Daar stond de keizer reeds van al de audiëntieheren omringd. Hij zag er vrij gespierd uit en was tamelijk gezet. Zijn uniform was de bekende groene montering met gouden epauletten, terwijl hij onder den arm een driekanten hoed droeg die er vrij oud en versleten uitzag.”

Venijnige vragen

Het was de bedoeling dat er diverse toespraken zouden worden afgestoken, maar daar had de keizer geen oren naar. Hij stapte op het nerveuze nog nahijgende gezelschap af. Brugmans probeerde de gesprekken zo goed en zo kwaad als het ging in banen te leiden. Hij had een goede beurt gemaakt bij de keizer met zijn plan voor de verzorging van de Franse troepen in Nederland, dat hij hem eerder in Utrecht had aangeboden.  Direct na de inlijving, toen het de bedoeling was dat de universiteiten rechtstreeks onder toezicht van Parijs zouden worden gesteld, had hij kans gezien de zelfstandigheid van Groningen en Leiden te handhaven. De Leidse Universiteit ontving zelfs een bijdrage van 100.000 francs. In rad Frans stelde hij de bezoekers voor. Napoleon begon met een reeks stekelige vragen. “Bent u calvinist”, vroeg hij aan Carolus Boers. “Oui Sire”, antwoordde de hoogleraar oude talen. “Ja”, ging de keizer verder. “Groot man die Calvijn, maar hij liet wel die man in brand steken, hoe was zijn naam ook al weer”. “Miquel Servet Sire”, antwoordde Boers. “Dat zou nu niet meer gebeuren Sire”.  “Juist ja, die lieden van de kerk zijn allemaal gelijk. Ze roepen om tolerantie, maar zodra ze de macht hebben, slaan ze aan het onderdrukken”. Napoleon keek het kringetje rond en ging verder. “Leer uw studenten vooral verdraagzaamheid. Ten opzichte van katholieken, calvinisten, lutheranen, en zelfs de joden”. Vervolgens vroeg de keizer aan Joan Kemper welke vakken hij onderwees. “Het recht van de mens volgens Grotius Sire”. Napoleon knikte en gaf te kennen dat hij meer voelde voor het canonieke recht, het oude kerkelijke recht. “Bent u een volgeling van William Brown”, vroeg hij vervolgens aan de medicus Nicolaas Oosterdijk. “Nee Sire, ik ben een volgeling van Boerhaave”, stotterde Oosterdijk. Brugmans redde de situatie door op te merken dat men op de universiteit met alle theorieën op de hoogte was, maar altijd de beste verkoos”. “Ach wat”, monkelde de keizer. “Als ik ziek ben vraag ik aan mijn buurman bij welk medicijn hij baat heeft en dan gebruik ik dat ook”. De chirurg Sandifort kreeg de vraag of hij veel doden op zijn naam had. Dominee Jan van Geuns stond zich dood te ergeren. “Niet zo veel als u”, lag hem voor op de lippen. Gelukkig hield hij zijn mond. Brugmans sprong telkens bij om de aangesprokenen uit hun penibele situaties te redden. “U bent geloof ik professor in alles”, beet Napoleon hem toe. Toen professor Simon Speijert van der Eijk werd ondervraagd over astronomie probeerde deze het ijzer te smeden toen het heet was. Hij wees de keizer op het vervallen observatorium op het academiegebouw aan de overkant van het Rapenburg. Napoleon had direct een oplossing. Neem één professor in de astronomie in plaats van twee theologen, dan blijft er voldoende geld over. Napoleon kreeg nu de katholieke geestelijken in het vizier. Hij stapte op de alom geliefde pastoor Ocke af en begon met hem te redetwisten over de onfeilbaarheid van de paus. De goeie man die nota bene zijn hele huis voor Napoleon had laten versieren wist zich geen raad. Tenslotte greep gouverneur Lebrun in. Hij wist de aandacht van de keizer af te leiden.

001 Rapenburg 48-DSC_1395 Niek Bavelaar

Huis aan het Rapenburg (nu nr. 48) waar Napoleon werd ontvangen. (Foto Niek Bavelaar) 

 

Meer brutaal, dan geniaal

Napoleon stampte met zijn voet en zijn gevolg kwam onmiddellijk in beweging. De keizer verliet de benauwde kamer liep de gang in, waar een aantal Leidse dames in hun mooiste kleding wachtte op een ontvangst door de keizerin. De keizer gaf met enkele gebaren te kennen dat hij wilde vertrekken. Voordat iedereen het besefte stapten de keizer en de keizerin in een rijtuig en met grote spoed reed de stoet langs de kortste weg de stad uit, richting Den Haag. De dijkgraaf en heemraden die allerlei waterbouwkundige modellen klaar hadden laten zetten en een ereboog hadden opgericht voor het Rijnlandshuis aan de Breestraat wachtten tevergeefs op het geplande bezoek van de keizer. De bevolking keerde teleurgesteld naar huis omdat ze geen glimp van de keizer hadden opgevangen. Dominee Van Geuns was jaren later nog hevig verontwaardigd over het optreden van Napoleon. “Ik dacht ten minste veel genie en talent bij Napoleon te zullen vinden; doch zoo hij die al bezit, ze worden overtroffen door eene verregaande brutaliteit”. Toen de geleerden die bij het historisch

002 BK-1995-3

De schouw in de kamer waar Napoleon de professoren ondervroeg, staat nu in het Rijksmuseum 

moment aanwezig waren geweest, tot in details werd gevraagd hoe Napoleon en zijn vrouw er van dichtbij uitzagen, maakten zij zich er van af met de opmerking dat hen dat ontgaan was omdat ze tijdens de ontvangst geen bril mochten dragen.  ’s Avonds werden ondanks het teleurstellende bezoek toch de illuminaties aangestoken, er werd muziek gemaakt en het volk stroomde massaal de straten op, om even alle ellende en armoe te vergeten. De Leijdsche Courant scheef enkele dagen later plichtmatig: “Onze vreugde is ten toppunt gestegen geweest; niets kan daarbij vergeleken worden, als de diepe droefheid, welke het vertrek van Z.M. veroorzaakte en het leedwezen van zich niet genoeg te hebben kunnen verzadigen van het gezicht van onze Doorluchtige Souvereinen”.

LEI001015280

Rapenburg 48 omstreeks 1910

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s