Aad en het bombardement

015 i Gerrit van Yperen 1941 MR 9790179-EB7AA5B8CC2592EF9188  In mei 1940 werd Rotterdam getroffen door een vreselijk bombardement 

“Die rotoorlog”, moppert Piet de hoofdoppasser. “Daar zijn we mooi klaar mee”. Aad

015 a pbk aap Josefientje geniet van haar k]opje thee

Vlak voor de oorlog drink een oppasser een kopje thee met aap Josefientje

knikt. Alles is anders gegaan dan de plannen waren. Vandaag, Eerste Pinksterdag, zou het eerste deel opengaan van Blijdorp, de nieuwe dierentuin. Daar komt nu allemaal niets van terecht. Vrijdagmorgen vroeg holde vader de trap op: “Er is oorlog”, schreeuwde hij. “Oorlog met Duitsland”. Even later zaten we in onze pyjama’s bij de Amerikaanse radio, de trots van vader.

Er kwamen berichten over optrekkende troepen. “Wat zal ik doen?”, vroeg vader zich af. “Naar de zaak gaan of thuisblijven?”. Sinds twee jaar wonen we niet meer boven de fietsenzaak maar in een huis in de Jonker Fransstraat. “De Afsluitdijk en de Grebbelinie worden door onze mannen dapper verdedigd”, zegt de stem in de radio. “Duitse vliegtuigen vallen onze vliegvelden aan”. De woorden waren nog maar nauwelijks uitgesproken of we hoorden gierende geluiden en knallen in de verte. Vader holde de trap op met mij achter hem aan. De kleintjes wilden ook naar boven. “Beneden blijven jullie”, riep vader bars. “Moeder houd de kinderen bij je”. Vader kroop door de dakkapel. Even later stond ik naast hem in de brede dakgoot. In de verte zagen we vliegtuigen met gierende geluiden omlaag duiken. Er klonken doffe knallen. Ik zag rookwolken en toen: “Kijk vader, daar”. Boven Zuid daalden parachutisten stil omlaag in het heldere licht van die vroege meimorgen. Even later was het stil. Op straat stonden mensen druk met elkaar te praten. Sommigen kwamen met koffers en tassen.

chabot-020

Het bombardement geschilderd door Hendrik Chabot (Chabotmuseum)

“Wij blijven niet in de stad”, zeiden ze. “Veel te gevaarlijk. We gaan naar familie”. Vader haalde zijn schouders op. “Je ontloopt je lot niet, ik ga naar de zaak”. Hij pakte zijn fiets uit de gang en vertrok. “Ik ga naar de Diergaarde”, zei ik. “Zou je dat nou wel doen”, vroeg moeder angstig. Ze zag wit. Eén van de kleintjes begon te huilen. “Als het verkeerd gaat, kom ik direct terug”, beloofde ik. Even later reed ik op mijn fiets langs de Delftse Poort die was afgebroken om ruimte te maken voor het verkeer en die nu een eindje verderop weer werd opgebouwd. De dikke banden van mijn fiets zoefden over de weg. Toen ik mijn baantje als jongste oppasser in de Diergaarde kreeg, heeft vader een oude transportfiets voor mij opgeknapt. De grote mand boven het voorwiel is eraf gehaald, maar het rekje zit er nog zodat ik boodschappen kan doen voor de Diergaarde. De fiets is zwaar en heeft een dubbele stang. “Ting-tang” klinkt de grote bel.

Leeuw1Nu is het zondag. Eerste Pinksterdag. “We werken ons rot”, zegt Piet. Er is maar een handjevol oppassers komen opdagen. De mannen uit Zuid kunnen de bruggen niet over. Het Noordereiland zit vol Duitsers. Ze bewaken alle bruggen. Je komt er niet door.

Janus loopt zoals iedere morgen zijn rondje door de tuin met Tom, de jonge leeuw. Het dier is drie jaar. Een mooi sterk beest met lange manen. “Er is niks aan zonder publiek”, moppert Janus. Hij krijgt altijd veel belangstelling van de bezoekers die nieuwsgierig zijn en ook een beetje bang als hij met de leeuw door de Diergaarde wandelt. Het lijkt wel of Tom voelt dat er iets bijzonders is. Hij rukt aan het touw, gromt een beetje en slaat met zijn voorpoot. Janus brengt hem haastig naar zijn hok in het grote leeuwenhuis dat wel een paleis lijkt.

rotterdamschediergaardeingang3 ingang Kruisstraat

Ingang van de Diergaarde aan de Kruisstraat

“Koffie, jongens”, roept Piet. “Het is bijna tien uur”. Haastig strooi ik nog wat voer bij de fazanten. In het water zit de zwaan stil op het grote nest. Weldra zullen de eieren uitkomen. Ik kijk nog even bij de struisvogels. Ze zijn pas aangekomen maar ze beginnen zich al thuis te voelen. Met grote stappen wandelen ze over hun veldje achter het hek. De apen springen druk heen en weer in het apenhuis. Ik hoop zo dat ik later de apen mag verzorgen. Wat zou dat leuk zijn. Nu mag ik alleen de vogels doen omdat ik de jongste ben. Net veertien jaar oud.

Bij de koffie wordt alleen maar gesproken over de oorlog. “Hebben jullie nog iets gehoord?”, vragen de mannen aan Piet en mij. Wij zijn de enigen met een radio thuis.015 n philco70_1 Philc1931o Model 70 Cathedral Radio “Bij de Grebbeberg wordt stevig gevochten”, weet Piet. “Bij de Afsluitdijk …..”  Dan duikt hij in elkaar. Boven ons hoofd schieten achter elkaar drie vliegtuigen laag over de huizen. “Heinkels, mannen!”schreeuwt Piet. “Dat zijn moffen, wegwezen”. De mannen hollen naar alle kanten. Ik duik in de kelder onder het apenhuis. Jaap, de nieuwe oppasser, holt achter mij aan. Net op tijd, boven ons hoofd, barst een geweldig lawaai los. Er wordt geschoten. In de tuin klinkt geraas van brekend hout, glasgerinkel en gegil van de apen. Het geronk van de vliegtuigen verdwijnt. Voorzichtig kom ik naar buiten. De ramen van het Leeuwenpaleis zijn bijna allemaal gebroken. Ik hol naar de waterkant. Het zwanennest is helemaal verdwenen. Nergens zie ik de zwanen. Van de jonge struisvogels is geen veertje over. Er springen tranen in mijn ogen. “Niet staan treuzelen daar”, hoor ik de stem van Piet. “Werk aan de winkel”. We lopen langs de hokken met planken en balken uit de werkplaats om te stutten en te repareren waar dat nodig is. “Kijk nou eens”, zegt Jaap onthutst. “De zeeleeuwen zijn weg”, hoe kan dat nou. “De zebra’s zijn er vandoor”, hoor ik roepen. “De bisons ook”. Dan komt de commandant van de soldaten die bij de ingang van de Diergaarde zijn gelegerd. “We schieten de roofdieren af”, zegt hij. “Veel te gevaarlijk als er weer aanvallen komen”. “Van Tom blijf je af”, zegt Janus vastberaden. “Over mijn lijk”. De commandant haalt zijn schouders op. “Op jouw verantwoordelijkheid” zegt hij. Dan komen er een paar soldaten. Ze richten zorgvuldig tussen de tralies door en schieten de leeuwen en tijgers dood. De één na de ander ploffen ze op de grond. Ik sta met open mond te kijken, als aan de grond genageld. Wat verschrikkelijk. Piet draait zijn hoofd om en loopt weg. Hij kan het niet aanzien dat zijn lievelingsdieren worden vermoord.

’s Avonds fiets ik snel naar huis. “Ik blijf in de Diergaarde slapen”, roep ik. Haastig maakt moeder een flinke stapel boterhammen klaar. Ze stopt er twee appels bij. Jaloers kijken de andere kinderen toe. “Twee appels”, zegt er één. “Waarom krijgt Aad twee appels?”.

Haastig fiets ik terug. In de kelder onder het apenhuis worden balen stro neergelegd en wat paardendekens zodat we er kunnen slapen. De volgende dag, Tweede Pinksterdag, zijn we druk bezig om de ontsnapte dieren te vangen. De zebra’s lopen te grazen langs de Diergaardesingel. Ze laten zich makkelijk vangen en gaan rustig mee terug naar de Diergaarde. Iemand heeft de zeeleeuwen zien zwemmen in de Westersingel. Jaap en Piet gaan erheen met een emmer vis en zo lokken ze de hongerige beesten terug naar hun bassin. Het vangen van de bisons is moeilijker. De grote dieren zwerven rond over het gebombardeerde station Delftse Poort. Ze lopen kris-kras over de rails tussen de brandende wagons en snuiven onrustig. Jaap weet ze te kalmeren en terug te brengen. De dag na Pinksteren gaan we door met het opknappen van de hokken. “De vrije dag na Pinksteren is anders altijd zo gezellig”, zegt Piet zuchtend. “Veel mensen bezoeken dan de Diergaarde of gaan naar de markt om bloemen en plantjes te kopen”.

015 d 9790026-19DBFCBB941556C4FDBE

Schuilen voor het bombardement. Schilderij van Martinus Richters. (Museum Rotterdam)

We gaan schaften. Doodmoe zitten we bij elkaar. Het is prachtig weer. Overal zingen vogels. De apen buitelen stoeiend over elkaar heen. De zebra’s draven rondjes op hun veldje alsof er niets aan de hand is. Dan gebeurt het. Plotseling is de lucht vol van het geronk van vliegtuigen. Een hele zwerm duikt op aan de kant van de Maas. Ze buigen af in de richting van de stad en dan zie ik hoe de luiken aan de onderkant opengaan en er bommen gierend naar beneden vliegen. Ze ploffen op de huizen. Overal breekt brand uit. We hebben geen tijd om naar de kelder te hollen en liggen plat op de grond die trilt en dreunt onder het geweld. Dan is alles voorbij. De vliegtuigen verdwijnen in de verte. Even is er een angstige stilte. “Het apenhuis, jongens”, schreeuwt Piet. “Het apenhuis brandt”. We hollen naar de hokken en breken de deuren open. De soldaten komen ons helpen. We pakken zoveel mogelijk dieren als we kunnen. Ik houd een jonge chimpansee

015 b Jongen met Chimpansee

Aad met de jonge chimpansee. (tek. Wiebke)

stevig in mijn armen. Met onze apen hollen we naar het café aan de overkant. Binnen zit een stel mensen verschrikt bij elkaar. Ze weten niet waar ze naartoe moeten. We stoppen de apen in de bierkelder, in de wc en in de telefooncel. Een man komt verwilderd binnen. “Het ziekenhuis staat in brand. Mensen kom alsjeblieft helpen. We laten de apen achter en hollen in de richting van de Coolsingel. Ik haal mijn fiets en stuif hen voorbij. Ik moet naar huis, naar vader, moeder en de anderen. Overal brandt de stad. Een man staat met grote angstogen tegen de muur van een huis gedrukt. Hij heeft een pan op zijn hoofd om zich tegen het puin te beschermen. Even verderop staat een ijskarretje midden op straat. De ijscoman ligt er naast, doodstil. Bij het ziekenhuis is het een chaos. De helft brandt. Dokters en verpleegsters rijden bedden met patiënten naar buiten. Op de stoep ligt een hele rij mensen. Ze bewegen zich niet. Sommigen zitten onder het bloed. Een man legt stukken karton op hun gezicht. Ze zijn allemaal dood. Een politieagent komt op me af. “Maak dat je thuis komt jongen. Je kunt hier niets doen. Je loopt alleen maar in de weg”. Vader, denk ik. De winkel is midden in de stad, vlakbij de Hoogstraat. Ik fiets in de richting van De Blaak. Overal brandt de stad. Huizen liggen in puin. Een vrouw staat luid te huilen. Een man rukt met zijn blote handen stukken steen opzij. Ik zie de beentjes van een kind. Ik probeer bij de Beurs af te slaan naar de Kolk.

jonker fransstraat

De halve Jonker Fransstraat staat in brand

Een agent houdt mij tegen. “Hier kun je niet door jongen, veel te gevaarlijk”. Achter hem laaien de vlammen hoog op. Vonken jagen door de straten. Mensen hollen schreeuwend naar alle kanten. Van sommigen staan hun kleren in brand. Ik fiets om langs de molen op het Oostplein en verder langs de Goudse Singel. De vlammen gieren hoog boven de huizen. Het eerste stuk van de Jonker Fransstraat

015 e Ahrens Fox

Met de Ahrend Fox brandweerauto’s werd het vuur bestreden

staat in brand. Hijgend kom ik bij ons huis. Het staat er nog. Moeder loopt wanhopig heen en weer. “Waar is vader!?”, roept ze. “Hij zit er middenin”. Ik weet me geen raad”. Ik probeer de kleintjes te kalmeren. Er vallen geen bommen meer. Moeder gaat snikkend thee zetten.

’s Avonds komt de man die vlak naast vader een ijzerwinkel heeft bij ons aanbellen. De fietsenwinkel is geraakt door een voltreffer, vertelt hij. Vader heeft nog geprobeerd om de duurste fietsen uit de brandende zaak naar buiten te brengen. “Toen is de hele zaak ingestort, juist toen hij binnen was”. De man zwijgt. Moeder kijkt hem aan met grote angstogen. Hij veegt het zweet van zijn voorhoofd. “Ze hebben hem gevonden onder het puin”, zegt de man.

015 h 9790024-990E555AFAF592D7AD98

Herm.Middelbosch maakte in 1944 dit schilderij op een theedoek bij gebrek aan schilderslinnen. (Rotterdam Museum)

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s