Een zeereis naar Indië (1)

Passagierslijst-Tjerimai  Willy Sluiter en zijn vrouw maakten in 1923 een tocht naar Indië

Willy Sluiter Aan boord schip Julianan

Aan boord van de ‘Prinses Juliana’, tekening van Willy Sluiter

In het voorjaar van 1923 maken Willy Sluiter en zijn vrouw Agathe op uitnodiging van de Stoomvaartmaatschappij Nederland een reis naar Nederlands-Indië met het stoomschip Prinses Juliana. Het echtpaar Sluiter reist op het bovendek en geniet van het mondaine, luie leven aan boord van het schip.smn373

Het interbellum is de glorieperiode van de luxueuze mailschepen. Vrijwel wekelijks vertrekken schepen uit Nederland naar Indië, volgens een strak schema van laden en lossen, post wisselen en kolen bunkeren langs de route door het Suez-kanaal. Na een tocht van zo’n zes weken zien de schepen veelal kans om niet alleen op de dag, maar zelfs op het uur volgens de dienstregeling in Batavia aan te komen. Het leven aan boord bestaat uit luieren in de ligstoelen aan dek, afgewisseld met maaltijden en versnaperingen en daartussendoor borrels, vanaf het morgenadvocaatje om elf uur tot de cognac na het diner. Men kleedt zich voor het diner, waarbij het voor de dames een opgave is om zes weken lang variatie aan te brengen. Men tafelt lang en passeert de avond met dansen bij de muziek van het scheepsorkest, met bridgen, met kijken naar een show of meedoen met een van de talloze feestavonden. Overdag worden spelletjes en wedstrijden aan dek georganiseerd voor zowel kinderen als volwassenen. Vol verlangen ziet men uit naar de aanloophavens, waar men soms tijd heeft voor een uitstapje of een maaltijd in een hotel aan de wal.

tumblr_o13qycn4Bc1sgzhgyo1_500 Willy Sluiter 1923

Tekening door Willy Sluiter 

De passagiers aan boord bestaan voor het merendeel uit planters, ambtenaren en militairen, met daartussen een enkele schrijver of schilder. Anders dan in bijvoorbeeld Frankrijk of Engeland werd er in Nederland geen beleid gevoerd om kunstenaars naar de kolonieën te sturen. Weliswaar werd onder koning Willem I een aantal schilders en tekenaars naar Indië gezonden, maar die hadden als taak de na de Franse tijd herkregen kolonie letterlijk in beeld te brengen en niet om artistieke impressies te maken. De kunstenaars die in de 20ste eeuw ‘mooi-Indië’ schilderden, waren welwillende amateurs die beroepshalve in de kolonie waren en een enkele gedrevene zoals W.O. J. Nieuwenkamp of Rudolf Bonnet. In de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw, raakte het ‘en vogue’ bij de grote stoomvaarmaatschappijen om af en toe een bekende kunstenaar voor een reisje uit te nodigen in ruil voor wat tekeningen of schilderijen, die de maatschappij dan gebruikte voor publicitaire doeleinden. Die eer viel Sluiter en echtgenote ten deel en een direct resultaat was een bundel tekeningen en aquarellen uitgegeven onder de titel ‘Per Stoomvaar My. Nederland naar Java’. Jammer genoeg zijn er geen persoonlijke notities, terwijls slechts een enkele brief aan dochter Jopie en wat kanttekeningen bij de schetsen bewaard zijn gebleven. Het toeval wil echter dat vlak voor Sluiter de architect H.P. Berlage met het stoomschip Grotius naar Indië was gereisd om er de architectuur te bestuderen en een rapport te maken over de restauratie van Indische monumenten zoals de Borubudur en de Pranbanan. Berlage deed wel uitgebreid verslag van zijn reis in het in 1931 verschenen boek ‘Mijn Indische reis, gedachten over cultuur en kunst’. Volgens een bewaard gebleven tafelschikking van een

ernest-dezentjé-herinnering-aan-de-kali-besar,-batavia 1923

De kali-besar in Batavia geschilderd in 1923 door Ernest Dezentjé (aquarel)

diner bij de Gouverneur-Generaal in Buitenzorg op 13 juni 1923 en een door Sluiter gemaakte schets, blijkt Berlage tegenover Sluiter aan tafel te hebben gezeten. Een ander uitgebreid reisverslag uit diezelfde periode is van de hand van Jan Poortenaar getiteld ‘Een kunstreis in de tropen’, waarin hij melding maakt van een ontmoeting in Batavia in het befaamde ‘Café Versteegh’, waar hij Isaac Israëls ‘aan een ton’ trof. De verslagen van de heren kunstenaars vertonen het gebruikelijke beeld van de grote afstand tot de Indische bevolking en onbegrip voor hun cultuur. Isaac Israëls had nauwelijks voet aan boord gezet of hij verzuchtte: ‘Het is een nutteloze reis, maar het zal zo plezierig zijn om daarna teruggekeerd te zijn’. Hij mopperde voortdurend over de mensen, de warmte en het voedsel. Zelfs een tochtje naar Bali met medepassagier Louis Couperus kon hem niet bekoren. Niettemin werkte hij als een bezetene, tot verbazing van de Javanen die, zoals Poortenaar beschreef: ‘Toean Issraelll, op het doek zagen afvliegen alsof hij een kip wilde vangen’. Eenmaal terug in Nederland noteerde Israëls zelfgenoegzaam. ‘Sinds ik in Indië ben geweest begrijp ik nog meer hoe dat oude Europa hoe dan ook het centrum van de wereld is’. Poortenaar wijst op een soort ‘splendid isolation’ van de Europeaan in Indië: ‘Het is een reiziger in Indië in den aanvang erg moeilijk om te beseffen dat hij werkelijk in Indië is. Hij leeft als Europeaan, heeft altijd zo geleefd, blijft zo leven’.

Berlage is een absolute uitzondering. Hij verbaast zich voortdurend over het feit dat zo’n groot land als Indië aan de leiband van het kleine Nederland loopt. Hij vindt onafhankelijkheid een vanzelfsprekende zaak en vreest voor de teloorgang van een rijke, door hem ten zeerste bewonderde cultuur. Hij kijkt zijn ogen uit en schrijft later: ‘Want telkens verbaasde ik mij weer over de bewering, dat voor onze schilders in Indië niets te halen is’. Berlage gebruikt de tijd aan boord om zich intensief te verdiepen in de Indische cultuur en hij roept de hulp in van de Javaanse bedienden bij het leren van Maleis. De medepassagiers keuren deze amicale omgang met de ‘inlanders’ ten zeerste af.

Ook Sluiter drong niet door tot de Indische cultuur, maar vertoefde genoeglijk in de wereld van de kolonisatoren: ‘wat hebben we ’t toch goed! Vanochtend om 11 uur ons advocaatje, dat varieert, dan eens een kopje bouillon, chocola, vruchten op brandewijn …’schrijft hij op 12 mei aan dochter Jopie. De reis verliep uiterst voorspoedig, de zee was aanhoudend zo glad als een spiegel en de Prinses Juliana stoomde gestaag voort met een snelheid van 15 mijl (25 km) per uur. ‘Jullie merkt wel dat ik ’t geweldig druk heb, dan weer tekenen, schilderen, schrijven, thee drinken, nu kijker halen om naar Kreta te kijken’ spot Sluiter met zichzelf. Inmiddels vindt hij wel de tijd om schetsen te maken van de bemanning. ‘De Javaantjes hebben nu allen witte broeken aan, ’t staat veel aardiger’- en om een portret te maken van de kapitein: ‘een echt type van een zeerob’.

Zijn vrouw Agathe zit uit de zon in een dekstoel en borduurt of babbelt met de gasten. Jammer genoeg wordt zij gedurende de reis gekweld door kiespijn, hoofdpijn en koortsaanvallen.

Vanaf het bovendek kijkt het echtpaar geamuseerd naar de spelletjes, zoals de ‘hanegevechten’. ‘Ieder moet zijn tegenstander met de voeten uit de ring zien te krijgen, allergekst om te zien. De handen vastgebonden aan een stok onder de knie door. Er is ook een ‘artistieke avond’, heel aardig gezongen door mej. Kerkhof. Zéér zwak piano gespeeld door Prof. Stomp uit Amst. Voordrachten door chansonnier De Vos, die heel goed was, maar waar je wel eens wat te veel van krijgen kan aan boord’. Sluiters vijftigste verjaardag wordt in stilte gevierd. En verder verglijden de dagen met tonnetje steken, kussengevechten boven een zeil vol water, af een toe een ontmoeting met een zusterschip en de gestaag toenemende hitte. ‘Er zijn 8 monniken en 8 nonnetjes aan boord, hoe mikken ze ’t zoo! en die hebben de grootste belangstelling in al die feesten en nemen steeds kieken’. De tocht door het Suezkanaal valt tegen: ‘Kamelen, leeuwen en zo zagen we nog niet. Er is überhaupt al heel weinig te zien in dit rechte kanaal – zand, zand en nog eens zand’, tot tenslotte de eerste kamelen in zicht komen en ‘baggermolens van A.Bos- Holland Dordrecht’.

Mount Lavinia Hotel op Ceylon

Hotel Mount Levinia 

Een stop in Colombo leidt tot veel groter enthousiasme. In de stromende regen gaat een groepje passagiers, onder wie Sluiters, van boord. Er wordt ontbeten in het Mount Lavinia Hotel en dan volgt een tocht door Colombo. ‘De eerste tropische stad met niets als klapperboomen, pisangs erin en dan de prachtig hel rood bloeiende flamboyants en ’t prachtig groen. Als dat de tropen zijn dan vind ik ’t reusachtig mooi’. Sluiter kijkt zijn ogen uit en maakt tal van schetsen: ‘Pracht types overal langs de weg, meest heel donkere kerels, heel donker, net brons, wat kunnen die kerels loopen en wat zien die ouwe kelners op M. Lavinia er kostelijk uit… en dan al die kerels met rokken aan … trouwens die kleintjes zijn ook eenig! …anderen weer heerlijk deftig met een soort witte parapluie, weer anderen met heel lange haren, bijna allen mager’. Een bezoek aan een tempel kan Sluiter niet bekoren: ‘We zagen nog een Boedha tempel en moesten onze schoenen uittrekken, daar was niet veel aan’. Hij ergert zich aan de verkopers die om de toeristen hangen: ‘…net als in Port Said zijn ze vreeselijk klitterig en wordt je overal aan je jas getrokken om binnen te komen’. Het is hem een verademing om aan te komen in Hotel Bristol en er in Europese sfeer koffie te drinken.

9b2cacc8f6abc96f1c72e63a7844f566 Paku Alam VIII 1923 sultan djokja

De sultan van Djokja op een foto uit 1923 

Dan naderen ze Batavia, maar de verslaggeving mankeert vanwege het ontbreken van brieven. Aan de hand van gemaakt werk kunnen we opmaken dat Sluiter de bekende toer maakte, met een tocht door Batavia, een visite bij de Gouverneur-Generaal, Bandung, de Borobudur, bezoeken aan de sultans van Yogya en Solo die graag Nederlandse kunstenaars ontvangen en een uitstapje naar Bali. Vóór de winter van 1923-1924 is het echtpaar weer terug in Nederland. Sluiter werkt zijn schetsen en tekeningen uit en het

Paku Alam VIII sultan van djokja

Sultan Paku Alam VIII van Djokja in 1923

jaar daarop verschijnt zijn boekje dat hij maakte voor de Stoomvaartmaatschappij en exposeert hij bij de gerenommeerde galerie Kleykamp. In het Maandblad voor Beeldende kunsten, 1e jaargang 1924, lezen we: ‘Onze Hollandsche schilders bekijken Indië nog al te veel door hun Hollandschen landschapsbril, wat voor mij heel begrijpelijk is, omdat ik het ook zoo gezien heb. Ik heb b.v. in den Preanger en in het Solosche, waar Sluiter ook werkte, ’s avonds tegen zonsondergang heel mooie Mauve’s gezien. Maar ik voelde tocht wel, dat dit de oppervlakkige schijn was en er toch een andere atmosfeer hing, vooral om de menschen in het landschap’. Aldus de journalist in het maandblad.

Ondanks de onmacht van de meeste Nederlandse kunstenaars om de aard van het land te kunnen vatten, heeft dezelfde criticus niettemin waardering voor het werk van Sluiter: ‘Van een reis

eb13c2db1d53f746cd7ceba873ece813--den-haag Pleintje in Sabang

Pleintje in Sabang geschilderd door Willy Sluiter in 1923 

door Indië is Sluiter weergekeerd met een aantal schetsen en notities, welke de ‘Herinneringen van oud-resident X’, of ‘De Gordel van Smaragd’, door een oud-controleur B.B., uitnemend zouden illustreren. Er zijn ook waarlijk wel verdienstelijke teekeningen onder, die de vaardig opgevangen impressies raak weergeven. Andere, niet minder knap geteekend doen zien dat Sluiter oog heeft gehad voor het decoratieve van figuren van inlandsche boogschutters (Kraton Solo) of Inlandsche vrouwen (Kraton Djokja). Doch tot de psyche der Indiërs brengt zijn werk ons niet nader’.

(dit artikel is een deel van het hoofdstuk dat ik heb geschreven in 1999 voor de catalogus bij de tentoonstelling  ‘Willy Sluiter, gentleman en kunstenaar)

22a722d35fae2128fa7d33bba8c476f1 Gênes 1923

De haven van Genua door Willy Sluiter gemaakt in  1923 

 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s