Henry Hudson en de Halve Maen

085 Image-01 Henry Hudson was in dienst van de VOC, maar hield zich niet aan zijn opdracht 

De ongehoorzame ontdekker

img0021 de wereldkaart van Petrus Plancius uit 1592

De wereldkaart van Petrus Plancius uit 1592 

De route naar Azië was lang en gevaarlijk. Er waren theorieën dat het mogelijk moest zijn om langs de Noordpool een doorvaart te vinden. Zowel Engelse- als Nederlandse zeelui hebben pogingen ondernomen om de noordoost-passage te vinden. Eén van hen was de Engelse ‘merchant-adventurer’ Henry Hudson. Zijn eerste twee reizen werden een mislukking. Toen klopte hij aan bij de VOC. De Amsterdamse kamer aarzelde. Maar toen Hudson dreigde in dienst aan te bieden in Frankrijk, ging men overstag

De Halve Maen

Hudson kreeg de beschikking over het jacht de Halve Maen. Een in 1608 in Amsterdam

081halfmoon3

Replica van de Halve Maen 

gebouwd schip van 21 meter lang en 5 meter breed met een bemanning van 16 koppen. Hudson kreeg een beloning van driehonderd gulden in het vooruitzicht gesteld, als hij de noordoostelijke doorvaart zou vinden. Mocht hij onverhoopt onderweg omkomen dan zou het geld naar zijn vrouw Katherine gaan, verhoogd met een weduwengeld van tweehonderd gulden. De Halve Maen vertrok op zaterdag 25 maart van Amsterdam,  lag enkele dagen voor Texel om op gunstige wind te wachten en vertrok vandaar op 6 april 1609. Aanvankelijk werd braaf de voorgeschreven koers gehouden, richting noord in de sporen van Willem Barentsz. met de bedoeling hoog boven Nova Zembla af te buigen. Al spoedig kreeg het schip te kampen met stormen, mist en veel ijs. Te verwachten omstandigheden die geen aanleiding vormden om de moed op te geven. Toch nam Hudson al midden mei het besluit om de steven te wenden. Geheel tegen zijn uitdrukkelijke opdracht in ging hij in westelijke richting, koerste aan op de Lofoten (ten Noordwesten van Noorwegen) en zakt vervolgens af naar de Faroer eilanden. Hudson ging op zoek naar Buss Island, een eiland dat op de kaart was gezet

082Martin_Frobisher_by_Ketel_l

Martin Frobisher 

door Martin Frobisher, een ontdekkingsreiziger in dienst van de Moscovy Company die in 1578 met een vloot van maar liefst vijftien schepen na twee eerdere reizen op zoek was gegaan naar een noordwest route. De man beweerde goudhoudend gesteente te hebben gevonden. Hij tekende Buss Island op een kaart, bracht een lading gesteente mee en als curiositeit ook nog drie eskimo’s. Het gesteente bleek nauwelijks of geen goud te bevatten en het eiland was een “phantom island”, een spookeiland dat in werkelijkheid niet bestond, genoemd naar een busse, het model schip waarop de “ontdekkers” voeren. Op de 15de juni stormde het zo hard dat de fokkemast met touw en zeilen overboord sloeg. Rond 1 juli kwamen de schepen in de buurt van New Foundland. Ze ontmoetten een vloot Franse vissers die netten vol vis uit de zee sleurden. Het krioelde er van de vis. Vooral haring en kabeljauw. De mannen van de Halve Maen vingen er grote hoeveelheden van. Helaas was er niet genoeg zout aan boord om de vis te conserveren. Hudson voer Newfoundland voorbij zonder het eiland op te merken en kwam aan bij Nova Scotia om

085Reis Frobisher

Een eskimo in een kajak getekend door Frobisher

vandaar langs de kust verder te zeilen in zuidelijke richting. Af en toe gingen de zeelui aan land. Ze verbaasden zich over de prachtige bomen, die mooi timmerhout leverden. Er werd dan ook een boom gekapt om een nieuwe fokkemast te maken. Zo nu en dan waren er contacten met de plaatselijke bewoners, Indianen die door hun contact met de Fransen een paar woorden Frans spraken. Ze brachten bevervellen en ander bont mee en ruilden die graag voor bijlen, messen, ketels en vooral rood geverfd mantels waren bij hen in trek. De Fransen verhandelden vanouds deze cassaques. De contacten verliepen vriendelijk er werd 084Inuit meegenomen door Frobishergezongen en gerookt en tot ieders tevredenheid gehandeld. Het is

084Inuit vrouw meegenomen door Frobisher

Frobisher nam drie eskimo’s mee terug van zijn reis

dan ook niet duidelijk waarom de bemanning van de Halve Maen achterdochtig bleef en zo bruut optrad. Op de zonnige en warme 25ste juli gingen de mannen zwaar gewapend van boord. Ze joegen de bewoners uit hun huizen en roofden alles wat van hun gading was. “Then we manned our Boat & Scute with twelve men and Muskets, and two stone Pieces or Murderers, and drave the Salvages from their Houses and tooke the spoyle of them, as they would have done us”.  De tocht ging verder. De mannen vingen tientallen kreeften. Het land zag er uit als het Beloofde Land, er groeiden rozen en druiven in overvloed. Ondertussen was Henry Hudson ver van huis en sloeg hij een richting in volstrekt tegenover gesteld aan zijn opdracht.

De Hudson rivier

Edward Moran Tutt'Art@

Een Indiaan ziet Hudson naderen. Schilderij van Edward Morvan

Begin september bereikte Hudson de monding van de grote rivier die later naar hem zou worden genoemd. Het was een riskante onderneming. Hudson had geen idee waar hij terecht zou komen. Het was erg gevaarlijk om met een zeilschip een snel stromende rivier op te varen. Bovendien had men de boot, de grote sloep die achter de Halve Maen werd voort gesleept, verspeeld. De zeelui konden nu alleen nog van boord met de overgebleven kleine sloep waarvan de boorden waren verhoogd om zich te beschermen tegen de pijlen van eventueel vijandige Indianen. De boot werd telkens gebruikt om vooruit te varen en de diepte van de rivier te loden. Wat Hudson niet wist is dat hij te maken had met een ruim vijfhonderd kilometer lange rivier die door de Indianen Mahicanituk werd genoemd, wat zoveel betekent als de altijd stromende rivier. Een passende naam want het water komt niet alleen van grote hoogte naar beneden gestroomd maar wordt aan de monding bovendien sterk  beïnvloed door de getijden. Giovanni da Verrazano, een Italiaan die in dienst van de Fransen in 1524 als eerste Europeaan de kusten van Noord-Amerika verkende, sprak over de Rio de Montagnes, hoewel hij niet zelf de rivier heeft verkend. Hij kwam niet verder dan de doorgang, die nu bekend staat als “The Narrows”, tussen het huidige State Island en Long Island. Hij

105LenapeIndians_3

Lenape Indiaan 

legde daar contact met de Lenapen, later genoemd Delaware Indianen, het volk dat woonde in het gebied waar nu New York ligt. Dat Hudson zich hier een weg zocht was niet zo vreemd. Vlak voor zijn vertrek was hij namelijk geïnformeerd door kapitein John Smith. Deze avonturier was in dienst van de Virginia Company naar Amerika gezonden. Hij was bijna vanwege muiterij om het leven gebracht, maar hij was te waardevol voor de Engelsen en werd belast met de leiding over Jamestown in Virginia, een naar de Engelse koning genoemd fortje gesticht in mei 1607. Hij beweerde in zijn brieven dat de Indianen spraken over een grote rivier, noordelijk van Jamestown, die oost met west verbond. Smith had intensieve contacten met de Indianen. Volgens zijn later verschenen boeken had hij zelfs een kortstondige liefdesrelatie met de legendarische Pocohontas, de beeldschone dochter van een belangrijke hoofdman, zij

092jll7-poca_portrait_1

De legendarische Pocahontas

zou hem zelfs het leven hebben gered. Smith keerde in oktober 1609 terug naar Engeland om zich te laten behandelen voor brandwonden die hij had opgelopen bij een ongeluk met buskruit. Hudson wachtte zich er voor om Jamestown te bezoeken. Hij was immers in dienst van de VOC en de komst van een Hollands schip zou tot verwarring zo niet erger leiden. Hudson voer de grote rivier op en ontdekte het eiland Manhattan. De legende wil dat deze naam afkomstig is van het Indiaanse woord “Manna-ha-ta”, wat zoveel betekent als “De plek waar wij dronken zijn geworden”. Feit is dat er verschillende malen vriendschappelijke ontmoetingen waren met Indianen die werden uitgenodigd aan boord van de Halve Maen. Onderschipper Juet schreef op 21 september dat er Indianen aan boord werden genodigd: “So they took them downe into the Cabbin, and gave them so much Wine and Aque vitae, that they were all merrie”.  De Indianen hadden geen benul wat hen overkwam toen zij dronken werden. De ontdekking van Manhattan was voor de Nederlanders aanleiding om daar enkele jaren later een vestiging te stichten, fort Amsterdam die zou uitgroeien tot Nieuw Amsterdam, op de plaats van het huidige New York.

093Henry Hudson onderhandelt met de Indianen

Ruilhandel met de Indianen 

Over het algemeen verliep het contact met de Indianen plezierig, maar een enkele keer ging het mis. Op 6 september ging de Engelsman John Colman, die vanaf de eerste tocht met Hudson had gevaren, met een paar man in de boot de rivier op om de diepte te peilen. Tegen de avond begon het te regenen. De mannen keerden terug maar werden aangevallen door twee kano’s met Indianen. Door de regen konden ze de lont van hun musket niet brandend houden. De Indianen schoten met pijl en boog. Colman kreeg een pijl door zijn keel en stierf. Twee anderen werden gewond. Tenslotte konden zij in de invallende duisternis een heenkomen vinden. De boot werd meegesleurd door de stroom en pas de volgende morgen vond men de Halve Maen weer. Colman werd begraven op een plek die Colman’s Punt werd genoemd, waarschijnlijk in het noorden van het huidige Coney Island. Op 1 oktober zou opnieuw een incident plaats vinden. Een groepje Indianen uit de bergen kwam naar het schip en werd aan boord gelaten. Eén van  hen kroop door de kajuitspoort en stal het kussen, twee hemden en twee bandeliers van Juet. De onderschipper schoot de man in de borst, waarop deze dood neer stortte. De andere Indianen gingen op de vlucht, achtervolgd door mannen van de Halve Maen die haastig in de boot waren gesprongen. Een Indiaan greep de boot en probeerde die te laten kapseizen. De kok greep een sabel en sloeg de hand van de man af, waarop deze onder water verdween en verdronk.

Land van melk en honing

Voor het overige was de tocht een plezierreisje. De mannen genoten van het mooie land en de overvloed aan gewassen. In het zakelijk verslag van Juet vinden we opmerkingen als: “This is a very good Land to fall with, and a pleasant Land to see”. Veel uitvoeriger informatie vinden we in de geschriften van de voortreffelijke Emanuel van Meteren. Deze in Antwerpen geboren koopman en geleerde, werd als kind door zijn vader meegenomen naar Londen. Hij werd de vertegenwoordiger van de Nederlandse kooplui, vertrouweling van de Prins van Oranje en regelde zaken voor onder meer de VOC. Hij beschreef in zijn “Belgische Oorlogen”, de eerste periode van de Tachtigjarige Oorlog en daarin doet hij ook verslag van de bevindingen van Hudson, die hij kennelijk had ontmoet. Over de tocht langs de Hudson schreef hij: “ende voeren daerinne den 12 Septembris een alsoo schoone Rieviere alsmen conde vinden wijdt ende diepe ende goeden Ancker gront, ende was aen beyde syden, eyndelijck quamen op de Latitude van 42 graden ende 40 minuten met hun groot schip. Dan haer schipboot voer hooger in de 107lenapeRieviere. Voor in de Rieviere vonden sy cloeck ende weerbaer volck, maer binnen int wtterste vonden vriendelijc ende beleeft volc, die veel lijftocht hadden, ende veel vellen ende Pelterijen, Maerters, Vossen ende veel ander commoditeyten, vogelen, vruchten, selve wijndruyven, witte ende roode ende handelden beleefdelicken metten volcke ende brochten van als wat mede, als sy nu ontrent vijftich mylen hoogh op de rieviere gheweest hadden, zijn wedergekeert den vierden Octobris, ende hun weder ter Zee begheven”.

Uitvoeriger nog is Johannes de Laet (1581-1649) , eveneens afkomstig uit Antwerpen. Hij studeerde in Leiden en specialiseerde zich in de geschiedenis van de Westindische Compagnie. (WIC)  Zijn boeken over de “Nieuwe Wereldt”, verscheen bij de Gebroeders Elsevier in Leiden. Hij moet op de één of andere manier beschikt hebben over berichten van Hudson, want hij citeert hem als volgt:

“Hendrick Hudson die dese rieviere eerst heeft ontdeckt, ende alle die naerderhant daer hebben gheweest, weten wonder te segghen van de schoone boomen die hier wassen: de selve beschrijft ons de manieren ende ghestalte van ’t volck, welck hij stracx binnen de

4d176055c6f1143c11ad26f607e6c87b Delaware Indiaan door Randy Steele

Jonge Delaware Indiaan geschilderd door Randy Steele

baye vondt aldus: Als ick aent landt quam, stonden alle de Swarten en songhen op hare wijse; haer kleederen syn vellen van Vossen ende andere beesten die sy bereyden, ende maken kleederen van vellen, van allerhande sorteringhen, haer eten is Turcxse tarwe, daer sy koecken van backen, ende is goet eeten; quamen al te met aen boordt d’een voor d’ander naer, met haer prauwen van een heel houdt ghemaeckt; haer gheweer is boghen ende pijlen met scharpe steentjens vooraen, die sy daer aen vast maken met spiegel harst; hadden daer geen huysen, sliepen al onder den blaeuwen Hemel, sommighe op mattjens aen malkanderen ghewroght van biesen, sommighe op bladeren van boomen, draghen altijts haer goet met heur, datse hebben, als eten ende groenen Toback, welck sterc is ende goet om te nemen; schijnt vriendelijck volck te zijn, dan is seer gheneghen tot stelen, ende subtiel om wegh te halen alles ’t gheene haer aenstaet. Op de hooghte van veertich graden ende acht en veertich minuten, al waer de Wilde seer schoone oesters aen syn schip brachten, ghetuycht de voor-noemde Hudson van t ‘landt aldus; Is soo schoonen landt als men met voeten betreden mach, over-vloedich van alderhande houdt, om schepen te bouwen, ende om groote vaten van te maken; ’t volc hadde daer koperen Toback pipen, waer uyt ick vermoede, dat sy en hebben gheen wetenschap om t’selve te bereyden, mede dat sy op de rievier allerhande rieviervisch met de seghen vongen, oock jonghe Salm ende Steur. Op de hooghte van twee en veertich graden ende achthien minuten was dito Hudson aen landt; Ick voer (seght hy) met een van haer prauwen aen landt, met een oudt man die daer overste was, van veertich mans ende seventhien vrouwen, die ick daer sagh; in een huys van basten van Eycken boomen wel ghemaeckt, ende rondtom soo ghelijck oft het een verwelft hadde gheweest, was overvloedigh van Maiz ende Boonen vant voor-gaende jaer, ende daer lagh by het huys wel soo veel te drooghen, als dry schepen mochten voeren, sonder dat noch stond en wies; by het huys komende werden twee mattjens ghespreyt om op te sitten, ende terstondt eenighe gherichten voort ghebracht, in roode houten backen wel ghemaeckt, ende sonden terstondt twee mannen uyt met booghen om wildt te schieten, brochten twee Duyven die sy wel haest gheschooten hadden, sloeghen terstondt oock eenen vetten hondt, ende kreghen het vel al metter haest met schelpen die sy uyt het water krijghen, meenden dat ick die nacht by haer blyven soude, dan ginck terstondt weder naert schip; is het schoonste landt om te bouwen, als ick oyt mijn leven met voeten betrat, ende oock van alderhande boomen; ende is seer goet volck, want doen sy sagen dat ick niet blijven en wilde, meenden dat ick van haer boghen vervaert was, namen de pijlen, braken die aen stucken ende worpen die int vier etc. Sy vonden daer oock Wijngaerden ende Druyven, Pompoenen ende andere vruchten. Wt welckes alles ghenoechsaem is af te nemen dat het een schoon ende vruchtbaer quartier is, ende goet volck, als het maer wel ghehandelt wordt; doch seer veranderlijck, ende van den selven aerdt als alle t’volck van die Noorder quartieren”.

Terug maar niet naar AmsterdamAppletons'_Hudson_Henry_-_Half_Moon

Tijdens de tocht op de Hudson rivier, wreekte zich opnieuw het gebrek aan gezag van Hudson over zijn bemanning. De zeelui gedroegen zich onbehoorlijk tegenover de Indianen, wat tot gevolg had dat er niet in alle rust handel kon worden gedreven. “Het schipvolck leefden qualick met het lantvolck”, berichtte Van Meteren. “Daer hadde meer connen wtgherecht worden, hadde daer goeden wille int schipvolck gheweest”. Hudson had bijvoorbeeld een grote partij kostbare beverhuiden kunnen inslaan tot profijt van de reders. Er bestond ook onenigheid over de te varen koers. Sommigen wilden overwinteren op Terra Nova en het jaar daarop opnieuw een tocht naar het noorden maken. Anderen wilden naar huis, niemand sprak over Amsterdam. Hudson dorst niet tegen zijn bemanning op te treden en koerste naar Engeland, nog even met het plan een

Halve-Maen-23052015-6

Replica van de Halve Maen in Hoorn

Ierse haven binnen te varen, maar het werd Dartmouth, waar de Halve Maen op zaterdag 7 november 1609 binnenliep en prompt werd het onder Hollandse vlag varend schip vastgelegd. Zodra de VOC bewindhebbers hiervan de lucht kregen sommeerden zij Hudson om met spoed naar Amsterdam te komen. Dat werd hem echter door de Engelse autoriteiten belet. Hudson stuurde toen informatie naar de heren in Amsterdam via consul Van Meteren, waarschijnlijk een kaart en een verslag, en vroeg om geld en instructies. De bewindhebbers van de VOC hadden hun bekomst van de Engelsman. Zij eisten hun schip terug dat tenslotte na de nodige bemiddeling naar Amsterdam kwam en werd ingezet in de vaart naar Indië langs de zuidelijke route. De Engelse overheid had er uiteraard geen enkele behoefte aan dat er Hollanders zouden opduiken in het gebied waar zij zojuist hun eerste schreden hadden gezet. Hudson maakte het jaar daarop in opdracht van een groepje Engelse kooplui zijn vierde en dramatisch verlopen laatste reis.

114Half Moon ramt Clermont

Bij de herdenking in 1909 ramde een replica van de Halve Maen,  een copie van de Clermont, een copie van het eerste stoomschip dat de Hudson opvoer 

 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s