Mads Lange, de Koning van Bali

 002 port Mads Lange _2  Bali was niet interessant voor de Nederlandse Handel Maatschappij, de Deen Mads Lange zag een gat in de markt  

MADS LANGE

003 1760_Bellin_Map_of_Bali,_Indonesia_-_Geographicus_-_Bali-bellin-1760

Bali op een kaart uit 1760 van J. Nicholas Belin. rechtsboven het paleis van de radja en een tempel. De kaart is zuidelijk geori:enteerd, links Lombok, rechts Java.

Bij het bepalen van de grenzen van Nederlands-Indië en het beheersbaar maken van het grote koloniale rijk, was Bali een struikelblok. De radja’s , die waren voortgekomen uit het oude Majapahit-rijk, gaven geen krimp. Ze tekenden met gemak contracten die hen werden voorgelegd om vervolgens weer hun eigen weg te gaan. Tenslotte werd besloten tot militair ingrijpen, met als gevolg bloedige gevechten en rituele zelfmoordacties (puputans). Het was te danken aan de op Bali gevestigde Deense koopman Mads Lange, dat erger werd voorkomen. Hij had het vertrouwen van de radja’s en stond op goede voet met het Hollandse bewind.

 Cultuur van Bali

Bali is een uitzonderlijk eiland. Achter de toeristenkermis en de hele kakofonie daaromheen, gaat een eeuwenoude, nog altijd levende cultuur schuil. Het zijn de restanten van het oude hindoe-boeddhistische Majapahit. In de 14de eeuw strekte het rijk zich uit vanaf het centrum van Oost-Java tot en met Malakka, Sumatra, Borneo en eilanden zoals Bali. In de eeuwen daarna werd de macht van Majapahit geleidelijk aan verdrongen door de oprukkende Islam. Bali was één van de weinige plekken waar de rijke Majapahit-cultuur bewaard bleef, zowel de religie en de daarbij behorende feesten en gebruiken, als de oude ambachten. Wie op Bali wegdwaalt van de stranden en toeristische plekken, stuit op dorpjes waar huis aan huis de oude ambachten worden beoefend en doorgegeven van vader op zoon. De ambachtslieden zijn gebonden aan bepaalde vestigingsplaatsen: de zilversmeden wonen in Celuk, de steenhouwers in Batubulan, de schilders in Ubud en Peliatan, houtsnijders in Mas enzovoorts.

Bali-Rijstvelden

Voor de VOC was Bali nauwelijks interessant. Men wist dat de vrouwen van Bali uitstekende kindermeisjes waren en de mannen bekend stonden als vaklui in het maken van wapens en meubels. Specerijen waren er niet te halen, bovendien is de zee om het eiland erg gevaarlijk, het eiland was vrijwel uitsluitend te bereiken vanaf de rede van Singaradja aan de noordkust. Behalve de vestigingen op Ambon en Banda – van groot belang vanwege de kruidnagel en de nootmuskaat – en de zetel van de VOC in Batavia, beperkte men zich tot de handel in overleg met de inlandse vorsten. Dat veranderde in de 19de eeuw. Na de val van Napoleon en het vertrek van de Engelsen die van de Franse bezetting van Nederland gebruik hadden gemaakt door zich op veel plaatsen in de Nederlandse koloniën te nestelen, werd onder ‘koning-koopman’ Willem I de Nederlandsche Handel-Maatschappij opgericht. Men begon met het verwezenlijken van de droom van Jan Pieterszoon Coen: een groot ‘insulinde’, onder Nederlands bestuur: Nederlands Indië. Daartoe behoorde ook Bali. Men zag met lede ogen aan, hoe Engelse en andere vreemde schepen meerden op de rede van het eiland om rijst in te slaan en handel te drijven, alvorens de reis voort te zetten naar Australië en Singapore. Er was al een paar keer geprobeerd om verdragen te sluiten met de radja’s, eerst goedschiks via verdragen, daarna kwaadschiks met het sturen van een grote overmacht aan militairen. De radja’s hadden weinig op met de vreemde indringers. Oorspronkelijk was de macht in handen van de radja van Klungkung, de prins van Majapahit. Eeuwen geleden had die de macht verdeeld over negen radja’s, een soort leenheren, die gaandeweg grote zelfstandigheid hadden gekregen, hoewel men nog altijd de radja van Klungkung als de belangrijkste beschouwde. De radja’s voerden een grote staat. Zij bewoonden paleizen met een harem van tientallen vrouwen en een schare kinderen. De zoons werden ‘gusti’s’ genoemd. Een soort edelen die het grootste deel van hun tijd in ledigheid doorbrachten en de eenvoudige bewoners van de dorpen vaak tiranniseerden. De rechtspraak was eenvoudig. Men was schuldig of onschuldig en schuldigen werden ter dood gebracht of het nu ging om een moord of een simpele diefstal. De veroordeelde werd gedood met een kris. De beul verontschuldigde zich met de woorden dat het doden niet persoonlijk bedoeld was. De dood van een radja had een enorme plechtigheid tot gevolg, waarbij het lichaam werd rondgereden op een door velen gedragen, hoog opgebouwde toren en daarna verbrand. Ook zijn vrouwen werden daarbij gedood en verbrand. Ruzies tussen de radja’s leidden tot oorlogen die soms uitliepen op het afgrijselijke ritueel van de puputan. Een radja die zag dat hij ging verliezen, doodde zijn vrouw en kinderen en wierp zich daarna met zijn getrouwen massaal in een strijd op leven en dood. Overlevenden en gewonden werden door de eigen mensen gedood. Gevangen vijanden werden verkocht als slaaf aan de VOC of aan Chinese handelaars. Boven de dorpsbesturen stond een orgaan dat het beste te vergelijken is met de Nederlandse Waterschappen. Maar dan niet om het water te weren, maar om het water toe te laten. Via een ingewikkeld stelsel, van beekjes en dammetjes vloeide het water van de bergen naar de rijstakkertjes aan de voet. Bij een conflict was het heel eenvoudig om de eigenaar van een lager gelegen bezit, af te sluiten van de watertoevoer. Dat had gevolgen voor de hele rijstoogst van een gebied en om dat te voorkomen was het waterbeheer in handen van een college van oude mannen met groot gezag.

Oorlog in het paradijs

005 Het_zevende_bataljon_tot_de_aanval_oprukkend 1846

Landing 7de bataljon van het Nederlands-Indische leger op Bali in 1846

Begin april 1849 verscheen voor de derde keer een vloot Hollandse oorlogsschepen voor Bali. De vorige landingen, in 1846 en 1848 waren jammerlijk mislukt. De Balinezen vergaten alle onderlinge geschillen en brachten een leger op de been van 20 tot 30.000 mannen, gewapend met geweren en speren, die bereid waren zich dood te vechten. De Balinezen trokken zich terug tot midden op het eiland. De Nederlandse soldaten sleepten kanonnen met zich mee en hadden al snel een tekort aan water en munitie. De Balinezen wierpen heuvels op van los zand waarin de kogels ploften zonder schade aan te richten en waardoor granaten niet tot ontploffing kwamen. Telkens was de op het eiland gevestigde Deen Mads Lange, bemiddelaar tussen de strijdende partijen. Hij onderhield goede contacten met de regering in Batavia en had het  vertrouwen van de radja’s van Bali. Beide keren kwam het tot een overeenstemming. Er werden geschenken uitgewisseld. Een van de radja’s wilde met alle geweld een bronzen kanon hebben en een ander had als grootste wens een levende neushoorn te bezitten. Met heel veel moeite lukte het om de geschenken vanaf de schepen voor de kust, het eiland op te slepen. Er werden contracten gesloten. De Balinese radja’s moesten de soevereiniteit van Nederland erkennen, stoppen met de slavenhandel en niet langer gebruik maken van hun recht om op de kust vergane schepen met lading en bemanning in beslag te nemen. De radja’s bogen glimlachend en legden na vertrek van de Hollanders, de contracten naast zich neer. In 1849 was men vastbesloten om Bali definitief te onderwerpen. Er werden maar liefst 7000 soldaten aan land gezet en een groot aantal zeelui bewaakte de schepen. Duizenden koelies zorgden voor de bevoorrading vanaf de kust. Opnieuw werd een leger van tienduizenden Balinezen op de been gebracht onder de bezielende leiding van vrijheidsstrijder I Gusti Ketut Jelantik.

007 Raden_Saleh_-_hunt I gusti ketut jelantik toont zijn dapperheid

De strijd van de Baliërs tegen de Hollanders met rechts de grote Balische held I Gusti Ketut Jelantik. (Schilderij van Raden Saleh)

Evenals voorgaande keren werd de tactiek toegepast van het zich terugtrekken achter een verdedigingslinie. Maar de Nederlanders wisten een omtrekkende beweging te maken en de Balinezen in te sluiten. Er vielen vele doden. Een radja pleegde een puputan en Jelantik doodde zichzelf door vergif in te nemen. De Balinezen van het hele eiland verzamelden zich voor het eindgevecht, dat een slachtpartij dreigde te worden. Het was opnieuw aan Mads Lange te danken dat er op het laatste moment een wapenstilstand kon worden gesloten. De radja’s, vergezeld van een indrukwekkende lijfwacht van zo’n 15.000 man, tekenden een contract. De Nederlanders, die onder meer hun aanvoerder, generaal Michiels, hadden verloren in de strijd, haastten zich terug naar het veilige Batavia, trots op de gesloten overeenkomst.

Mads Lange

002 port Mads Lange

Mads Lange, geschilderd door een Chinese kunstenaar

Mads Johansen Lange werd op 18 september 1807 geboren in de Deense plaats Rudköbing. Hij stamde uit een geslacht van zeelui en handelaars. Eind 1833 vertrok hij als eerste stuurman op het sterke en zwaarbewapende schip ‘de Zuid’, naar Azië. Drie van zijn jongere broers voeren mee als bemanningsleden. Mads koesterde vanaf zijn vertrek de herinnering aan zijn 16 jarige nichtje Ida Bay, waarvoor hij een onmogelijke liefde had opgevat.  Hij vestigde zich als koopman op Lombok. Aanvankelijk met succes, maar als gevolg van binnenlandse conflicten, moest hij vluchten. Hij wist ternauwernood op zijn paard te ontsnappen naar zijn schip dat op de rede lag. Hij ging in Bali aan land en werd daar vriendelijk ontvangen. De radja’s moesten van de Hollanders niet veel hebben, maar in de handel met Lange zagen zij voordelen. Mads wist het vertrouwen snel te winnen. Hij sprak de taal, kende de gewoonten en wist zich uit allerlei situaties te redden. Soms werden hem

004 Huis Lange op Kuta

De factorij van Mads Lange. (Tek Wiebke naar een oude foto)

slaven aangeboden, zoals die keer toen een radja hem een 12-jongen stuurde die hij wilde ruilen voor een pistool. Lange nam de slaven in ontvangst en gaf hen werk tegen goede betaling en liet hen vrij. Geen van de slaven wilde terug naar zijn geboorteplaats. Lange kocht grote voorraden rijst die werden bewaard in schuren op zijn terrein en verkocht aan voorbijkomende schepen. Verder handelde hij in textiel, opium, wapens en niet te vergeten kepeng, Chinese munten

010 chin-h22917-3 kepeng

‘Kepeng; Chinees geld

met een vierkant gat, die een geliefd betaalmiddel waren op Bali. Lange werd gewaardeerd door de regering in Batavia. Hij kreeg in 1843 het Nederlandse burgerrecht, zodat hij namens de Nederlandsche Handel-Maatschappij kon optreden. Hij liet aan de kust bij Kuta een factorij bouwen. Een door muren beschermde vestiging met schuren, een woonhuis, gastenverblijven en een ‘pendopo’ (galerij) om de radja’s te ontvangen. De gasten verbaasden zich over de luxe van Europese meubelen. Er was zelfs een biljart en er liepen een paar grote Dalmatiërs rond.

006 Aanval_der_Baliers_bij_Kasoemba 2de expeditie Bali 1848

Aanval van de Baliërs bij Kasumba

Lange correspondeerde regelmatig met zijn familie in Denemarken en stuurde hen ruimschoots geld. Zijn geliefde Ida werd overladen met geschenken zoals kostbare stoffen of een naaidoos van Chinees lakwerk en voorbeelden van Balinese ambachtskunst zoals een met goud ingelegde kris en op lontar (palmblad) geschreven teksten. Mads leefde samen met een Chinees meisje dat hem twee kinderen schonk: Hendrik en Cecilie. Het meisje, genoemd naar de moeder van Ida, zou later trouwen met de sultan van Johore, die ze leerde kennen toen zij voor haar opvoeding in Singapore verbleef. Mads Lange was een innemende man, die door de talloze bezoekers aan zijn huis in Bali zeer werd gewaardeerd. Wolter Robert baron van Hoëvell beschreef de ‘wakkere Deen’, als volgt: ‘Stel u voor een man, klein van gestalte, maar van een sterken, gespierden lichaamsbouw, blond gelijk de zonen des Noordens meestal zijn, van veertigjarigen leeftijd, met gelaatstrekken, waarop kracht, voortvarendheid, fermiteit, maar tevens goedhartigheid en welwillendheid te lezen staan’. Als beloning voor zijn optreden in 1849 werd hij benoemd tot Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw. Hij

008 Puputan_of_the_Raja_of_Boeleleng ill le petit journal 1849

Puputan

stierf op 13 mei 1856 na een maaltijd bij een radja die hem niet gunstig gezind was. Waarschijnlijk werd hij vergiftigd. Bij Kuta zijn nog de resten van zijn graf, bewaakt door twee een stenen Dalmatiërs. In het Nationaal Museum in Kopenhagen wordt een collectie Balinese voorwerpen bewaard uit het bezit van Mads Lange: krissen, schilderijen, lontarboeken, beeldjes en wajangfiguren, alle vervaardigd in de eerste helft van de 19de eeuw. Het zou nog tot het begin van de 20ste eeuw duren voordat Bali door een troepenmacht onder leiding van Majoor-Generaal Rost van Tonningen in het geheel zou worden onderworpen, waarbij onder meer een grote puputan plaats vond in Badung.

(Dit artikel heb ik eerder gepubliceerd in het tijdschrift G-Geschiedenis)

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s