Het Poppenhuis

049 Poppenhuis 3Een toverspreuk, een lastig ventje en een poppenhuis veroorzaken grote problemen. 

Mijn oude tante Lotje kende een toverspreuk die ze nooit aan iemand heeft verklapt. “Daar komt narigheid van”, zei ze dan. Met die spreuk kon zij zich klein maken, zo klein als een kleine kabouter. Dat kwam zo

Lotte was als kind een eenzaam meisje. Haar moeder was gestorven toen ze nog in de wieg lag. Haar vader was dokter. Hij had het altijd druk en was vaak weg om patiënten te bezoeken. Toen Lotte zes jaar werd kreeg zij een hondje. Een druk keffertje, met een krul in zijn staat en een spitse snoet. Hij werd Boef genoemd. Lotte was stapelgek op Boef. Het hondje was altijd bij haar en samen maakten ze lange wandelingen.

Op een dag kwam vader thuis met een groot poppenhuis dat hij had gekregen van een oude dame. Toen zij hoorde dat de dokter een dochter had zei de dame: “Neem het poppenhuis alstublieft voor haar mee dokter, ik ben oud en ziek. Spelen doe ik al lang niet meer en ik kan niet meer bukken om in het poppenhuis te kijken”. Samen met de tuinman had de dokter het poppenhuis de trap opgedragen en in de kamer van Lotje gezet. Het was een prachtig poppenhuis vol meubeltjes. Lotje speelde er iedere dag mee. Ze zette de pannetjes in de keuken op een rij, stofte de stoeltjes af, maakte het bed op en schrobde met een oude tandenborstel het vloertje van de hal.

Op een keer maakte ze het kleine bureautje schoon. Ze trok een laatje open en toen rolde er een piepklein boekje uit. De letters waren zo klein dat Lotje ze niet kon lezen. Ze pakte het vergrootglas uit de kamer van haar vader en tuurde en tuurde. Op iedere bladzij stond maar één letter. Lotje schreef de letters achter elkaar op een stukje papier en toen stond er een lang, vreemd en geheimzinnig woord, het leek wel een toverspreuk. Hardop las Lotje het woord en opeens gebeurde er iets wonderbaarlijks. 049 Poppenhuis 2Lotje kromp, ze werd kleiner, kleiner en kleiner. Ook haar jurk en haar schoenen en de pen in haar hand werden klein. Na een paar minuten was ze zo klein dat ze het poppenhuis binnen kon lopen. Ze duwde de voordeur open en wandelde door de kamers, de trap op, naar de zolder. Wat een groot huis was het poppenhuis nu. Beneden klonk geluid. Vader kwam thuis. Lotje holde de trap af en het poppenhuis uit. Maar wat nu, ze was piepklein. Boef sprong om haar heen en kefte zenuwachtig. Het papiertje. Waar was het papiertje. Lotje vond het papier waarop ze het woord had geschreven. Wat een grote letters leken het nu. Lotje schreeuwde het woord, zo luid ze kon. Ze kreeg een vreemd gevoel en begon weer te groeien. Juist toen ze weer zo groot was als altijd kwam vader binnen. “Wat blaft Boef”, zei hij. “Is er iets, wat heb je een rode kleur”. Lotje schudde haar hoofd. Ze vertelde niets over de wonderspreuk. Het was haar grote geheim. ’s Avonds in bed leerde Lotje de spreuk uit haar hoofd. Vanaf die dag ging zij vaak op bezoek in het poppenhuis. Ze zei de spreuk hardop, wachtte tot zij klein was en liep naar binnen. Uren bracht zij door in het poppenhuis. Ze pakte een boek uit de kast en ging zitten lezen in de stoel in de voorkamer, ze zette een kopje thee in de keuken of ging op ontdekkingsreis op de zolder die vol stond met oude spullen. Als er iemand kwam kefte Boef. Dan holde Lotje het poppenhuis uit en zei snel de spreuk.

049 Poppenhuis

Plotseling veranderde het hele leven van Lotje. Vader nam een vreemde mevrouw mee naar huis en een dik jongetje. “Kijk Lotje”, zei vader. “Ik ga trouwen. Dit is je nieuwe moeder. De jongen is haar zoon, hij heet Pier en hij wordt je broertje. Hoe vind je dat”. Lotje knikte en kreeg een kleur. “Leuk”, zei ze zachtjes. “Nou dat klinkt niet erg enthousiast”. Zei de mevrouw. Ze had een harde schelle stem vond Lotje. De jongen grijnsde. ’s Avonds lag Lotje in haar bed te huilen. Ze vond het niet leuk, die nieuwe moeder met haar strenge gezicht en het grijnzende jongetje. Een paar weken later kwam de vrouw met haar zoontje in het huis van Lotje en haar vader wonen. Lotje moest voortaan  op tijd thuis zijn, rechtop aan tafel zitten, haar huiswerk maken en allerlei karweitjes doen. Ze kwam bijna niet toe aan haar huiswerk. Pier liep altijd te loeren en verklapte alles wat Lotje deed aan zijn moeder. Hij plaagde Boef en trok hem stiekem aan zijn staart. Als Lotje klaar was met haar huiswerk en het werk in huis ging ze naar haar kamer. Ze deed de deur op slot, zei haar toverspreuk en verborg zich in het poppenhuis. Soms hoorde ze bonken op de kamerdeur. Pier wilde naar binnen. Haar stiefmoeder riep luid: “Lotje, wat ben je aan het doen”. ’s Avonds praatte de vrouw met vader. “Laat haar maar”, zei vader. “Lotje wil af en toe even alleen zijn op haar kamer”. Pier werd steeds nieuwsgieriger. Als Lotje zich had opgesloten sloop hij naar haar kamer. Hij loerde door het sleutelgat en toen ….. toen zag hij iets wat hij nog nooit had gezien. Lotje zei iets vreemds en werd heel klein. Pier vertelde niets aan zijn moeder. Niemand zou hem immers geloven. Toen Lotje weer naar haar kamer ging legde hij zijn oor tegen het sleutelgat. Hij hoorde het vreemde woord en probeerde het in zijn hoofd te stampen. De volgende dag toen Lotje naar balletles was ging Pier stiekem naar haar slaapkamer. Hij sloot zich op en liep naar het poppenhuis. Boef lag  op een stoel in de hoek van de kamer. Hij gromde zachtjes. Hardop zei Pier het toverwoord. Hij voelde zich duizelig worden en werd kleiner en kleiner. Het lukte. Hij schopte de deur open en liep het poppenhuis in. Overal keek hij rond, holde de trappen op en af, pakte de boeken uit de kast, in de gang stootte hij een vaas om die kletterend op de grond in stukken viel. Toen sprong Boef van zijn stoel. Hij kefte en blafte en sprong tegen het poppenhuis op. De kopjes trilden op tafel. Pier zag een enorme kop als van een groot monster door de ramen loeren. Hij vloog de trap op en verborg zich op zolder. Boef sloeg met zijn poten tegen het dak en blafte zo hard hij kon. Het dak kraakte. Pier holde de trap weer af. Door de voordeur zag hij de geweldig grote poot van de hond. Hij wist zich geen raad. Pier kroop in de hoek van de kamer. Het woord, wat was het woord. Het schoot hem te binnen. Hij gilde het toverwoord en begon te groeien. Hij wilde naar de voordeur lopen maar was al te groot en te dik om er door te kunnen. Door het raam dan maar. Hij duwde het raam open, de hond gromde: “Af, ga weg lelijk beest”, schreeuwde Pier. Hij was al zo groot dat hij ook niet door het raam kon. Hij vulde het kamertje. Het kastje kraakte, de tafel schoof opzij, de schilderijen vielen van de muur. Pier groeide verder.  De muren barstten en vielen om. Pier was even later zo groot en dik dat hij het hele poppenhuis uit elkaar duwde. Op de gang stond zijn moeder te schreeuwen en te bonken op de deur: “Wat gebeurt daar allemaal. Laat mij binnen. Doe de deur open. Onmiddellijk”. Pier liep naar de deur en draaide de sleutel om. 049 Poppenhuis 3Daar stond hij. Vol bulten, schrammen en blauwe plekken. Zijn kleren waren gescheurd. Achter hem lagen de stukken en brokken van het poppenhuis. “Ik, ik”, stamelde Pier. “Ik ben op het poppenhuis geklommen en er doorheen gezakt”. “Je blijft een week op je kamer”, riep zijn moeder woedend. “Vroeger was je altijd zo lief. Het komt door dat meisje, die Lotje, die maakt je ondeugend”. Toen Lotje thuis kwam vond ze het vernielde poppenhuis, het was helemaal kapot. Ze huilde tot ze geen tranen meer over had. Haar vader vond het heel verdrietig. Hij liet een timmerman komen en een meubelmaker. Ze werkten dagenlang om het poppenhuis weer helemaal in orde te maken. Nooit meer heeft Lotje het toverwoord gebruikt en Pier…. Pier was te dom om zo’n moeilijk woord te kunnen onthouden.

 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s