Klein Begijnhof Gent

Aan de rand van Gent, even buiten het centrum, stat het Klein Begijnhof, een vrome oase van rust, een dorpje met een kerk, kapellen, gasthuizen, een ‘grootzusterhuis’ en lange rijen begijnenhuisjes. Maar begijnen wonen er niet meer. 

 

Het Klein Begijnhof of OLV ter Hoye in Gent

045 061 

Werelderfgoed

Ik ben al zo’n twintig jaar bezig met het Begijnhof”, vertelt ir. Godfried Derveaux van

045 017

Het begijnhof grenst aan resten van de oude stadsmuur 

het gelijknamige ingenieursbureau in Gent. Zijn bureau houdt zich bezig met zulke uiteenlopende zaken als de bouw van bruggen en tunnels, de aanleg van kademuren, renovatie, nieuwbouw en restauraties. Het Begijnhof heeft duidelijk zijn hart gezien de liefde waarmee Derveaux praat over dit grote restauratieproject met talloze problemen die vragen om specifieke oplossingen: “Je wilt antieke deuren bewaren, maar de brandweer eist compartimentering en brandvrije deuren. Een mooi gestuukt plafond moet bewaard blijven, dus isolatie zal langs een andere kant moeten plaats vinden. Er liggen prachtige plavuizen vloeren. Ze zullen opgebroken moeten worden als je riolering wilt aanleggen”. Architect Derveaux kan met tevredenheid terug blikken op het tot dusver behaalde resultaat. Driekwart van het complex met huizen, conventen, kapellen en een parochiekerk zijn gerestaureerd. Toch maakt hij zich zorgen over de voltooiing van het laatste kwart. De verslechterde economie heeft gevolgen voor de subsidies. De tijd dringt als men dit unieke monument dat prijkt op de Werelderfgoedlijst volledig wil behouden.

Een oase van rust in een bruisende stad

045 ingang

De toegangspoort aan de Violettenstraat

Als ik op een mooie meidag door de poort het begijnhof binnen wandel, valt de stilte op mij. Achter lange witte muren met deuren waarop de namen van heiligen vermeld staan gaan de talloze huizen schuil. Dicht bij de ingang steekt het mooi gerestaureerde Heilig Graf kapelletje parmantig naar voren. De grote weide in het midden – het vroegere kerkhof – wordt gedomineerd door de merkwaardige parochiekerk gewijd aan Onze-Lieve-Vrouw ter Hoyen.  Een hoofdzakelijk 17de eeuwse kerk in eenvoudige renaissance stijl waar onder leiding van een zelfverzekerde grootzuster in 1720 een barokke gevel voor werd gezet naar de mode van die tijd. De stilte wordt verbroken door het klokje op de Sint-Godelievekapel dat het angelus luidt. Het geklep wordt beantwoord door het gelui in de verte van de grote kerkklokken in de stad. De 17de eeuwse,  maar in de 18de eeuw sterk verbouwde kapel is gewijd aan Sint Godelieve, een heilige die soulaas biedt voor lijders aan oog- en keelkwalen. De in Vlaanderen geliefde 11de eeuwse heilige werd na een ongelukkig huwelijk met Bertold, de heer van Gistel, op aanwijzing van haar brute echtgenoot gewurgd waarna het lijk in een poel werd geworpen. Uit een tweede huwelijk kreeg de edelman een blind dochtertje. Toen haar ogen werden gedept met water uit de poel waarin het lijk van Godelieve was geworpen genas het meisje op wonderbaarlijke wijze. De mooie kapel dient nu als winterkerk en voor het houden van samenkomsten.

 

Het grootzusterhuis

04r5 006

 Ik negeer de verbodsbordjes en sluip de bouwplaats op waar de restauratie van het grootzusterhuis in volle gang is. In de tuin van het huis staat de  middeleeuwse verdedigingstoren van Gent die destijds deel uitmaakte van het verdedigingswerk de Vijfwindgaten, genoemd naar de vijfdelige brug bij de Hooipoort.  De toren is nu een schilderachtige dicht begroeide ruïne die tot ondergang is gedoemd als het verval niet wordt gestopt. Er zijn twee mogelijkheden. De ruïne conserveren in de huidige staat of restaureren. Architect Derveaux hoopt de toren te restaureren en te betrekken bij de aansluitende bebouwing, waardoor de toren niet alleen behouden blijft, maar ook een functie krijgt. Ik gluur naar binnen door de ramen van het grootzusterhuis. Jaren geleden bracht ik met een kanunnik van de Sint- Baafs kathedraal een bezoek aan dit sfeervolle voornamelijk 18de eeuwse huis. In grote kasten berustte het archief met middeleeuwse oorkonden omtrent de stichting en de talloze schenkingen. Aan de wand hing een enorm schilderij met Koning Willem I, die de dankbare begijnen toestond om het in de Franse tijd verboden habijt weer te mogen dragen. Het is de bedoeling dat na de restauratie het monumentale huis een combinatie van functies krijgt: museum, beheerderswoning en kantoor. De kanunnik stelde mij bij dat bezoek voor aan de laatste begijn: grootjuffrouw Marcella van Hoecke een krasse negentigjarige die vol trots haar ‘schapraai’ toonde. Een muurkast zoals elke begijn die bezat. Het middenstuk kon worden neergeklapt en diende als tafel voor de maaltijden. In het bovenstuk werden zaken bewaard, die te maken hadden met de eredienst zoals gebedenboeken, beeldjes en een rozenkrans. In het onderstuk de weinige persoonlijke bezittingen. Het schapraai was voor menige begijn zo ongeveer het enige bezit op aarde. In 2008 overleed grootzuster Marcella, zij werd bijna honderd jaar.

 

Vrome vrouwen

Er zijn meer dan een dozijn veronderstellingen over de herkomst van het woord begijn,

045 032

Ieder huisje heeft een naam

variërend van een verwijzing naar Sint Begga een abdes wier regels door de begijnen werden overgenomen, tot het Franse woord bigot dat kwezel betekent. Hoe het ook zij: Begijnhoven werden bedacht in de 13de eeuw om een onderkomen te bieden aan vrouwen die niet in een klooster wilden wonen,  maar vanwege geldgebrek, hun ongehuwde staat of omdat ze in die roerige tijd als wees waren achtergebleven  niet zelfstandig konden blijven. De begijnen onderwierpen zich aan het gezag van de grootzuster. Hun leven bestond uit vasten en bidden op de gezette tijden. Zij hielden zich bezig met naai- en verstelwerk, het verplegen van zieken en bejaarden en het geven van onderwijs. Het Klein Begijnhof,  een verwarrende naam voor het vooral in de 17de en 18de eeuw enorm gegroeide complex, werd gesticht in het jaar 1234 op het hooiland even buiten de toenmalige stadspoorten, vandaar de naam Ter Hoyen. Enkele jaren later werd het begijnhof opgenomen in de stadsuitbreiding zoals te zien is aan de grote muren en de toren die de begrenzing aan de zuidkant vormen. Na enkele schermutselingen met de kerkelijke overheid, die voornamelijk over de lucratieve begrafenisrechten gingen, werd het begijnhof in het derde kwart van de 14de eeuw al een zelfstandige parochie, een recht dat men met hand en tand heeft verdedigd ook al viel dat niet altijd mee.

 

De begijnen belaagd

Gent had bijvoorbeeld enorm te lijden onder de beeldenstormen van 1566. Bij een eerste aanval wisten de broeders van het beenhouwersgilde het begijnhof tegen het geweld te beschermen, maar bij een volgende aanval werden de kerk en de kapellen van het Klein Begijnhof ernstig gehavend. Een ooggetuige beschreef de ravage die werd aangericht in Gent: “Het razende gepeupel liep door de cellen en de zolder. Ze braken er stenen potten, de kannen, de glazen en de stoelen, alles werd stuk gesmeten. Alle kaarsen vertrappelden ze, geen glasraam bleef heel. Op een onbeschrijfelijke manier verwoestten ze de kerk. Niets bleef gespaard”.  De prachtige bibliotheken van kloosters en abijen werd geplunderd. In de Leie dreven middeleeuwse rijk versierde boeken. Het water was bedekt met in stukken gescheurd perkament.

045 048

Kapelletje aan het bleekveld

In de Franse tijd vond opnieuw een felle aanval plaats op de kloosters en begijnhoven. Bezittingen werden verbeurd verklaard. Kerken en kapellen werden gesloopt of gebruikt als pakhuis of paardenstal. Het Klein Begijnhof werd aanvankelijk gespaard omdat de begijnen  hemden naaiden voor de soldaten en de gewonden verzorgden zonder aanziens des persoons. Maar op den duur moesten zij er ook aan geloven. De begijnen moesten hun habijt uittrekken en voortaan in burgerkleding lopen. De huisjes werden toegewezen aan armen en bejaarden waar de stad Gent geen raad mee wist. De nieuwe bewoners bespotten de begijnen. Het sterk verarmde begijnhof werd van de ondergang gered door een wonderlijke aankoop. De geestelijkheid wist een vrome Duitse edelman, de Hertog van Arenberg over te halen om het begijnhof te kopen. De regels werden hersteld. Het begijnhof bloeide op en wist aan de Eerste Wereldoorlog te ontsnappen omdat het Duits bezit was.

045 022

De Parochieker op het Begijnhof

Vereniging Zonder Winstoogmerk

Na de oorlog werd het begijnhof als Duits bezit onder ‘sekwester’geplaatst, dat wil zeggen onder toezicht van een rechtspersoon volgens het Belgisch recht. In 1925 werd daartoe een VZW opgericht, een Vereniging Zonder  Winstoogmerk, te vergelijken met de Nederlandse stichtingsvorm. Na de Tweede Wereldoorlog stierven de begijntjes stilaan uit. Het hof werd een monument in 1963 en kwam in 1998 op de Werelderfgoedlijst. Dat het uitzonderlijke complex behouden moest blijven stond als een paal boven water, maar dan was een ingrijpende restauratie noodzakelijk en moest naar een nieuwe bestemming worden gezocht. Samen met architect Dervaux werd een in tien fasen uit te voeren restauratieplan gemaakt. Het complex zou worden opgedeeld in zelfstandige woningen en appartementen in de voormalige conventen. De kosten zouden moeten worden bestreden met subsidies en de opbrengst van de te verkopen panden. Om te voorkomen dat het bijna acht eeuwen oude begijnhof de oorspronkelijke samenhang zou verliezen werd een oplossing gevonden in een erfpachtregeling van 66 jaar. Het is te hopen dat de Vlaamse overheid geld weet vrij te maken voor de laatste fasen van de restauratie. Op dit moment wordt het begijnhof bewoont door particulieren van allerlei aard. “Wat hen bindt”, zegt Godfried Derveaux: “Is een meer dan gewone waardering voor monumenten en liefde voor het Vlaams Patrimonium”.

 

Ruud Spruit

(Dit artikel verscheen eerder in het blad HERENHUIS) 

 

Legenden over het Klein Begijnhof

De zwarte God

In de kapel van Sint Godelieve op het Klein Begijnhof prijkt een gehavend en van ouderdom zwart geworden Christusbeeld. Het ontsnapte op miraculeuze wijze aan de beeldenstorm en werd bewaard in een klooster in Gent waar het favoriet was bij vele gelovigen. In de roerige Franse tijd werd het beeld door enkele burgers in de nacht heimelijk over het water van de Leie gevoerd en door een achterpoortje op het begijnhof in veiligheid gebracht.

 

Coleta de Groote

Al op 11 jarige leeftijd voelde de in 1891 geboren Coleta de Groote zich aangetrokken tot een vroom leven. Toen zij 18 werd deed zij haar intrede in het Liefde Convent op het Klein Begijnhof. Zij bad en deed goede werken ondanks haar tere gezondheid. Op verzoek van de pastoor schreef zij haar visioenen en wonderlijke ervaringen op. Op 25 jarige leeftijd stierf zij. Na haar dood deden tal van legenden de ronde. Een bedelaar die schoenen van haar had gekregen vertelde hoe de wonden aan zijn voeten plotseling waren geheeld. Ernstige zieken die haar graf bezochten zouden op wonderbaarlijke wijze zijn genezen.

 

 

 

 

 

 

 

 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s