De wereld van de ‘Kleine Dierkens’.

In de 17de eeuw werd heel anders gedacht over insecten dan nu. Men dacht dat die beestjes spontaan uit drek en stof ontstonden. Tot er verbazingwekkende ontdekkingen werden gedaan. 

‘KLEINE DIERKENS’

 

Als ik in mijn prille jeugd niet kon slapen door het gezoem van muggen, kwam mijn moeder binnen met de flitspuit. Resoluut blies zij wolken D.D.T. de kamer in. De muggen vielen dood op de grond en ik ademde het gas in dat later kankerverwekkend zou blijken. We gaan nu heel wat milieuvriendelijker om met insecten. Er zijn zelfs insectenhotels in de handel waar bijen, hommels, vlinders en vliegen een veilig onderkomen kunnen vinden. Om bladluizen te bestrijden, kopen tuinliefhebbers zelfs larven van lieveheersbeestjes.

Insecten in de Bijbel

028 RP-T-1884-A-330B Uiltje of nachtvlinder, Jan Augustin van der Goes, 1690 - 1700

Een uiltje of nachtvlinder op een gouache van Jan Augustin van der Goes. (Rijksmuseum Amsterdam)

031RP-T-1884-A-330E Tor, Jan Augustin van der Goes, 1690 - 1700

Tor. Jan Augustin van der Goes. (Rijksmsueum Amsterdam)

Aristoteles wist het zeker; muizen ontstaan in het graan, bladluizen worden geboren in dauwdruppels, maden kruipen uit rottend vlees en vliegen komen uit het stof. Hij noemde het spontane generatie en verbaasde zich over de wondere wereld van het kleine ongedierte. Eeuwen was men ervan overtuigd dat er zomaar vormen van leven kunnen ontstaan. Degenen die zich aan het begin van de 17de eeuw bezighielden met insecten, waren theologen. De Statenvertaling had een enorme invloed. De met veel zorg tot stand gebrachte teksten werden tot op de komma bestudeerd. Er was aanleiding genoeg voor dominees om eens een preek te houden over de vlijtige mieren, de alles verwoestende sprinkhaan of het kunstige werk van de spinnen, die bovendien overal binnen wisten te dringen. Neem bijvoorbeeld teksten als: ‘Ga tot de mier gij luiaard, zie haar wegen en word wijs’(Spr. 6:6). Of: ‘En hij gaf hun gewas den kruidworm, en hun arbeid den sprinkhaan’(Psalm 48:46) een regel over de straffende hand des heren. Of de curieuze tekst: ‘De spinnekop grijpt met de handen, en is in de paleizen der koningen. (Spr. 30:28). Of de voor zich sprekende tekst: ‘Wat de rups heeft overgelaten, heeft de sprinkhaan gegeten… enz. (Joël 1:4).

 

De bijenkoning

Opnamedatum:  2011-03-01

Een imker probeert een bijenzwerm te lokken, op een prent van Gerbrand van den Eeckhout. (Rijksmuseum Amsterdam)

Natuurlijk was er de imker die onder zijn ogen het wonderlijke leven van de bijen aanschouwde, de huisvrouw die ondanks haar goede zorgen maden uit het vlees zag kruipen, of het avontuurlijke kind dat rupsen ving en die tot zijn verbazing zag veranderen in poppen waar op een goede dag kleurige vlinders uit kwamen.

Het zit anders dan we denken, zei de Leidse hortulanus Dirck Cluyt. (1546-1598). Hij observeerde zijn bijen en kwam tot de conclusie dat er een hoofdbij was die hij de bijenkoning noemde. De koning legde smalle langwerpige ‘zaadjes’ in de raat. De bijen droegen voedsel aan in de vorm van dauw, modder en stof uit bloemen. Daarna werd het kamertje in de raat met was afgesloten totdat een jonge bij naar buiten kroop. Aldus Cluyt in zijn boekje ‘Van de byen’, een tweespraak, zoals in die tijd gebruikelijk was, met zijn voorganger en vriend Carolus Clusius. Prompt werden de bijen onderwerp van preken en emblemata, als een eendrachtig samenwerkend volk onder de leiding van een koning.

 

Johannes Goedaert

027 RP-P-1907-506 Portret van Johannes Goedaert, Reinier van Persijn, naar Willem Eversdijck, 1623 - 1668

Johannes Goedaert op een penseeltekening in grijs door Jan Stolker. (Rijksmuseum Amsterdam)

In Middelburg was Johannes Goedaert ( 1617-1668) bezeten van de metamorfose van insecten. Hij moest bestaan van zijn vak als kunstschilder, maar al zijn vrije tijd stak de goeie man – en dat moeten we letterlijk nemen want Johannes was volgens zijn tijdgenoten een beminnelijk mens – in het bestuderen van insecten. Hij verzamelde rupsen, maden en insecteneitjes en legde vol verbazing de veranderingen vast in teksten en tekeningen.

Hij gaf de insecten Hollandse namen zoals Klok-luyer (Atalanta) en Gulsigaert (Kleine Vos). Zijn vrienden bewonderden zijn werk en haalden Goedaert over tot publiceren. In 1660 verscheen het eerste van drie delen met de titel: Metamorphosis Naturalis. Het derde deel verscheen in 1669, een jaar na het overlijden van Goedaert.

Jan Swammerdam las het boek en haalde zijn schouders op. ‘Er staat veel onzin in’, was zijn meedogenloze kritiek. Swammerdam bestudeerde insecten met het blote oog, maar maakte ook gebruik van de microscoop. Hij beschikte zowel over een scherp oog als over een vaste hand. Hij zag kans om insecten te ontleden en hun ingewanden in nauwkeurige tekeningen weer te geven. Zo ontdekte hij dat de zogenaamde koning der bijen over vrouwelijke voortplantingsorganen beschikte en dus een koningin was. Daarmee viel het veelvuldig gebruik van de bijenmetafoor in het water. Een volk, geleid door een koningin kon immers niet vergeleken worden met de besturen van die tijd, met uitsluitend mannen aan het roer. Van Swammerdam verscheen in hetzelfde jaar 1669 zijn ‘Historia Insectorum Generalis ofte Algemeene Verhandeling van de Bloedeloose Dierkens’. Swammerdam constateerde dat zelfs de allerkleinste insecten zich geslachtelijk voortplanten en dat de leer van de ‘spontane generatie’, onzin was. De vrome geleerde, die af en toe zweefde op het randje van godsdienstwaanzin, vond de gedachte aan spontane generatie zelfs een vorm van godslastering. Het zou immers een onderschatting van de schepping zijn om te beweren dat insecten spontaan ontstaan. Swammerdam zag de hand des Heren tot in de kleinste diertjes. De afschuw van uit modder, vuil en kadavers voortgekomen schepselen sloeg om in bewondering.

Bewonderaars en verzamelaars

030 Avicularia-avicularia vogelspinnen en parasolmieren merian

Vogelspinnen en parasolmieren in het boek van  Maria Sibylla Merian

De frivole dichter en kasteelheer Jacob Westerbaen kon op zijn buiten Ockenburgh geen genoeg krijgen van het turen door een microscoop. Door een mug gestoken dichtte hij vol verbazing over het venijnige aanvalswapen van het insect:

‘Hoe dat hij met de punt van zo een dunne snuit

door menig dikke huid kan boren zonder buigen,

daar nog een goot in is, waardoor hij bloed kan zuigen? ‘

Gelaten noteert hij verderop:

‘De mugge zuipt mijn bloed, de vlieg komt bij mij drinken

en eet van mijn kapoen (haantje) en doet de reste stinken’.

 

Kooplui en regenten breidden hun rariteitenverzamelingen uit met kasten vol vlinders en kevers. Zij gebruikten hun contacten met de VOC en de WIC om insecten uit Azië en Amerika te laten komen. Het kabinet van de Delftse medicus en burgemeester Henricus d’Acquet was vermaard. Maar de verzameling van Levinus Vincent overtrof alles. De handelaar in damast had een aparte zaal vol vitrines met dieren op sterk water en ladenkasten vol met insecten. Hij liet een geïllustreerde catalogus drukken die ieders verbazing wekte en ontving veel belangstellenden in zijn kabinet. Buitenlandse gasten schreven dat een bezoek aan Holland niet compleet was zonder een bezoek aan het kabinet van Vincent. Hij werd twee keer weduwnaar en toen hij voor de derde keer trouwde, had hij de pech dat zijn vrouw niets moest weten van insecten en andere ‘enge dieren’. Er zat voor hem niets anders op dan zijn collectie te verkopen.

026 RP-P-1996-70 Fabel van de beer en de bijen, Marcus Gheeraerts (I), 1567 fabel erger je niet

De fabel van de beer die bij het honing snoepen een korf omver werpt en zich de woede van de bijen op de hals haalt. Moraal: Bemoei je niet met andermans zaken. Prent van Marcus Gheeraets uit 1567. (Rijksmuseum Amsterdam)

Sommige verzamelaars kozen ervoor om er als een ‘Prikkebeen avant la lettre” zelf op uit te trekken met een vlindernetje, potjes en doosjes. Verzamelaar Steven Blankaert wijdde het laatste hoofdstuk van zijn boek ‘Schouburg der Rupsen, Wormen, Maden in Vliegende Dierkens’, aan het vangen van insecten. 

Als je mooie vlinders wilt hebben, moet je ze zelf uitbroeden, want ‘als sy gevlogen hebben, verliesen haar verwe (kleur) wel’. Om vlinders onbeschadigd te kunnen vangen, adviseerde hij een fijn zijden netje aan een lange stok. ‘Wanneer dan eenig beesjen stil sit, laat men het netjen daar over vallen, en men steekt door het netje een spelt in de borst van het Vlindertjen, ’t welk men dan in een doos set’. Hij had een lugubere oplossing voor het opzetten van spinnen: ‘.. wanneer men twee Spinnen by malkanderen in een doos set, soo sal de een den anderen uitsuigen, en het lighaam sal niet indroogen, gelyk het ordinaris (gewoonlijk) doet’. Insecten trokken ook de aandacht van kunstenaars als interessante bron van inspiratie.

 

Maria Sibylla Merian

029 Merian ngekleurde frontispice met Flora en cupidootjes spelend met vlinders

Frontispiece met Flora van het boek ‘Methamorphosis Insectorum Surinamensis’ met de Romeinse godin van de lente en de bloemen en met vlinders spelende Cupidootjes. (Teylers Museum Haarlem)

Stillevens van vruchten en bloemen werden opgetuigd met een vlindertje hier en een kevertje daar. De Vlaming Joris Hoefnagel was één van de eerste kunstenaars die in zijn werk insecten afbeeldde. Anderen waren onder meer Jan Augustin van der Goes en leden van de familie Withoos. Wellicht het meest spectaculair in het genre was kunstenares Maria Sibylla Merian (1647-1717). De in een Duits kunstenaarsgezin geboren Maria had altijd al belangstelling gehad voor insecten. Ze trok als meisje al buiten de stadsmuren rond om ze te vangen. Bijgelovige stadgenoten mompelden dat het meisje een heks was. Ze maakte prachtige tekeningen die in boekvorm werden uitgegeven. Na een ongelukkig huwelijk vluchtte ze met haar moeder en dochters naar Wieuwerd om daar haar intrek te nemen in een slot waarin de sekte van de Labadisten was gevestigd en waar haar halfbroer al woonde. Daar leidde ze een hard leven waar geen plaats was voor frivoliteiten als verzamelen en tekenen. Na de dood van haar broer en haar moeder vertrok ze uit Wieuwerd om in Amsterdam te gaan wonen. Daar bezocht ze verzamelaars met befaamde rariteitenkabinetten en ging ze zich weer aan het tekenen van insecten wijden. Vlinders en andere dieren die door de West Indische Compagnie waren aangevoerd, wekten haar belangstelling. Ze besloot naar Suriname te gaan met haar dochter. Onder begeleiding van een slaaf van een bevriende plantage-eigenaar, werkte ze daar als een bezetene. Net zolang totdat tropische ziekten haar hadden gesloopt en zij zich genoodzaakt zag om terug te keren naar Amsterdam. Daar werkte zij aan haar magnum opus: de ‘Metamorphosis Insectorum Surinamensium’, een prachtig meesterwerk over de insecten, planten en dieren van Suriname, zoals de wereld nog niet eerder had gezien.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s